De wetenschapper en zijn/haar pensioen --> zoals de paus of toch met een pragmatisch plan? Deel 2: de pensioenregelingen zelf.

 



Nadat ik in deel 1 over de wetenschapper en zijn/haar pensioen een inleiding gegeven heb en de AOW besproken heb. Komen we nu aan bij deel 2: de pensioenregelingen zelf. Natuurlijk niet nadat we gekeken hebben naar hoe de gepensioneerde paus Benedict XVI het zo doet. Heeft hij een pensioenregeling? Na wat research op het internet kom ik tot de volgende pensioenregeling voor Benedict XVI: Een maandelijks pensioen van € 2.500. Niet dat hij zijn pensioen voor veel uitgaven moet gebruiken. Benedictus woont huurvrij in de Mater Ecclesiae, een gerenoveerd voormalig klooster in Vaticaanstad, dat uitkijkt op de Sixtijnse Kapel, met zijn privésecretaris en 4 nonnen, die de huishoudelijke taken uitvoeren. De residentie beschikt over een tuin, een privékapel en een uitgebreide bibliotheek, en de rooms-katholieke kerk dekt alle kosten van het levensonderhoud van Benedictus. Niet slecht dus, met misschien als klein nadeel, dat hij pas met 85 jarige leeftijd met pensioen is gegaan. Mogelijk zul je na een grondige evaluatie van je (financiële) levensdoelen toch iets eerder met pensioen willen gaan.

Voor werknemers zijn pensioenregelingen een van de grootste inkomstenstromen voor je pensioen. Ze regelen/verzekeren echter ook nog collectief een aantal andere zaken zoals inkomen voor de partner (en wezen) bij overlijden en mogelijk aanvulling op het inkomen bij arbeidsongeschiktheid. Pensioen wordt in diverse wetten behandeld. De belangrijkste wetten zijn de Pensioenwet (PW) en de Wet op de Loonbelasting (Wet LB). Pensioen is immers uitgesteld loon. Naast deze zijn er nog 6 andere wetten waarin pensioen bepalingen voorkomen. De regelingen rondom pensioen zijn dus complex en door het pensioenakkoord van vorig jaar staan er ook nog veel veranderingen aan te komen. De belangrijkste zaken bespreek ik hier. Echter een voorbeeld/model is veel inzichtelijker, dus heb ik ook een voorbeeld wetenschapper familie als model opgezet. Die ons verder in de blog serie zal begeleiden. Zie onder. 


Wat is er nu?


De Pensioenwet kent drie voorgeschreven soorten pensioenovereenkomsten en deze worden dan ook in allerlei varianten uitgevoerd door pensioenfondsen /pensioenverzekeringen:

-De uitkeringsovereenkomst. Bij de meeste mensen bekend als de eindloon of middelloon regeling. Bij een uitkeringsovereenkomst wordt een periodieke pensioenuitkering overeengekomen en gegarandeerd. De werknemer weet hoeveel pensioen hij heeft opgebouwd en er kan (los van salariswijzigingen) worden aangegeven hoeveel er nog kan worden opgebouwd. De werknemer loopt geen enkel beleggingsrisico en het langleven risico is voor de pensioenuitvoerder. Dit is natuurlijk niet graag gezien bij het pensioenfonds, de werkgever en de politiek. Mogelijk dat bij de uitvoering van het pensioenakkoord hier flink aan wordt getornd.

 

-De kapitaalovereenkomst: Bij een kapitaalovereenkomst wordt een bepaald kapitaal op pensioendatum overeengekomen. De werknemer weet hoeveel kapitaal hij heeft opgebouwd op de pensioendatum. Hij heeft echter geen zekerheid over het voor het kapitaal aan te kopen pensioen. De rentestand op pensioendatum en de dan geldende verzekeringstarieven en sterftetafel bepalen de uiteindelijke periodieke uitkering. Overeengekomen is dat op de pensioendatum het kapitaal dient te worden aangewend voor pensioen. Uitsluitend het kapitaal is bij de kapitaalovereenkomst gegarandeerd.

 

-De premieovereenkomst. Bij een premieovereenkomst wordt een jaarlijkse premie overeengekomen waarbij de hoogte van de premie de enige garantie is. De premieovereenkomsten zijn er in verschillende smaken: Een zuivere premieregeling: Op pensioendatum is niet duidelijk hoeveel kapitaal beschikbaar is om een levenslang ouderdomspensioen aan te kopen. Het beleggingsrisico en het lang-leven-risico komt voor rekening van de deelnemer. Volgende is een premieregeling waarbij de premie wordt omgezet in een aanspraak op kapitaal: Bij de inleg van de premie is duidelijk hoeveel kapitaal op pensioendatum beschikbaar komt. De hoogte van het levenslange ouderdomspensioen wordt bepaald op pensioendatum. Het beleggingsrisico ligt bij de pensioenuitvoerder en het langleven risico bij de deelnemer.  En de laatste is een premieregeling waarbij de premie wordt omgezet in een aanspraak op levenslang ouderdomspensioen. De premie wordt direct bij de inleg omgezet in een aanspraak op ouderdomspensioen. Voor de deelnemer is tijdens de opbouwperiode al duidelijk hoeveel levenslang ouderdomspensioen hij jaarlijks opbouwt. Op pensioendatum wordt pas bekend hoe hoog het totale ouderdomspensioen bedraagt. Zowel het beleggingsrisico als het langleven risico ligt bij de pensioenuitvoerder. Deze regeling is natuurlijk ook niet meer zo graag gezien

 

Dan is er ook nog het nettopensioen: een vreemde eend in de bijt, waar je alleen mee te maken krijgt als je bruto pensioengevend loon hoger is dan € 110.111 (in 2020). Dan kun je ervoor kiezen bij sommige werkgevers om over het meerdere boven € 110.111 een nettopensioen op te bouwen uit je netto loon. Dit is fiscaal iets minder gunstig dan normaal pensioen: De waarde van de opbouw is vrijgesteld in box 3, de uitkering te zijner tijd wordt niet belast in box 1 en dit geld alleen voor een levenslang ouderdomspensioen.


Wat een gedoe!


Nu denk je natuurlijk wat een gedoe, al die verschillende regelingen. En ook komt er heel veel verandering aan. Wat moet ik nu echt weten? Wel in al deze pensioenregelingen wordt er uiteindelijk vanuit het brutoloon en door de werkgever jaarlijks een bedrag ingehouden en aan het pensioenfonds/ de pensioenverzekering etc. overgemaakt en door deze belegdàhet uitgestelde loon. Bij de normpensioenleeftijd (68) komt er dan van al dit belegd geld een bruto uitkering waarvan de hoogte afhangt van de pensioenregeling, hoe het risico verdeeld wordt en ook soms hoe de financiële markten het doen. Alle (belasting)regels eromheen zorgen dat je nooit meer dan zeg 70 tot 75% van je loon als pensioenregeling zou kunnen opbouwen in de loop van je carrière. En dat is in het gunstigste geval. Als je een paar keer van werkgever verwisselt en een slechte of geen pensioenregeling hebt, de financiële markten het slecht doen etc., dan kan dat percentage van het loon significant lager zijn. Het zogenaamde pensioen gat. Elk jaar krijg je van je pensioenfond(sen) een UPO een uniformpensioen overzicht en kun je zien hoe het er ongeveer voorstaat. Ook de website www.mijnpensioenoverzicht.nl/ kun je hiervoor goed gebruiken


Wat kan en mag ik met mijn pensioen?

Je mag een heleboel dingen met je pensioen. Dit is natuurlijk allemaal bij wet vastgelegd en dit is wat vele mensen niet weten. Op enige belangrijke zaken ga ik in:

 

  •  Waardeoverdracht: Waardeoverdracht is omzetting van opgebouwde pensioenaanspraken naar een andere pensioenuitvoerder. Bij verandering van werkgever kun je erover denken om je pensioen van de het pensioenfonds van de oude werkgever over te dragen naar het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Hieraan kunnen voordelen maar ook nadelen zitten. Voordelen bijvoorbeeld: Administratief overzicht, nog maar te maken met één uitvoerder, handig op het moment van uitkeren en als de nieuwe pensioenregeling kwalitatief beter is, gaan ook de oude aanspraken daar in mee. Nadelen bijvoorbeeld: De oude regeling kan een betere partnerpensioenregeling hebben. De oude regeling kan een flexibele pensioendatum hebben, waardoor na overgang flexibiliteit verloren kan gaan, de oude pensioenregeling kan op basis van garantie zijn. Als je overdraagt naar een pensioen op basis van beleggingen, vervalt de garantie. Hierin moet je je dus goed verdiepen en/of professionele hulp inroepen

 

  • Uitruil van het partnerpensioen naar ouderdomspensioen en vice versa. In elke pensioenregeling moet een uitruilmogelijkheid zijn opgenomen. Het opgebouwde partnerpensioen kan worden omgezet in: een hoger ouderdomspensioen, een eerder ingaand ouderdomspensioen en een hoger en eerder ingaand ouderdomspensioen. De uitruil is uitsluitend mogelijk indien het partnerpensioen op opbouwbasis (met een premievrije waarde) is verzekerd. Is het partnerpensioen op risicobasis verzekerd, dan geldt de verplichting tot uitruil niet, er is immers geen waarde dus valt er niets uit te ruilen. Andersom moet ook het ouderdomspensioen in partnerpensioen kunnen worden omgeruild. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen, heeft de deelnemer het recht, in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen, te kiezen voor partnerpensioen. De hoogte van het partnerpensioen mag maximaal 70 procent bedragen van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert. De partner moet al deze veranderingen goedkeuren……………

 

  • Variërende hoogte van het pensioen. Je kunt de hoogte van het ouderdomspensioen laten variëren. De variatie in hoogte van een pensioenuitkering is overigens beperkt. De hoogte van een pensioen kan na ingang variëren mits: 

      - de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de hoogste uitkering; 

      - Gaat het pensioen al in voordat de pensioengerechtigde de AOW gerechtigde leeftijd            bereikt dan wordt in de periode tussen pensioeningangsdatum en de AOW-leeftijd een          bedrag ter grootte van tweemaal de enkelvoudige AOW ( 2020 € 21.864) buiten                      beschouwing gelaten.

 

  • Eerder/later ingaand pensioen. Je kunt de ingangsdatum van het ouderdomspensioen vervroegen of uitstellen. In de wet is geen minimale pensioenleeftijd opgenomen. Als je kijkt naar pensioen regelementen staat er soms 60 jaar als minimum, ook 55 jaar komt voor. Als het ouderdomspensioen ingaat voor de 68-jarige leeftijd, moet het uit te keren pensioen actuarieel worden herrekend. Dit betekent dat er rekening moet worden gehouden met de gemiste opbouw en de verlengde uitkeringsduur. In dat geval is de uitkering lager. Je kunt rekenen met ongeveer 7-9% afname van het pensioen bedrag bij een jaar eerder met pensioen gaan. Het ouderdomspensioen dient uiterlijk in te gaan op het moment dat de werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd. Bij uitstel van de pensioendatum moet de pensioenuitkering ook actuarieel herrekend worden. In dat geval wordt de uitkering uiteraard hoger.

 

  • Deeltijdpensioen is ook mogelijk. Een werknemer kan voor een deel met pensioen gaan en voor dit deel pensioenuitkeringen genieten en voor het andere deel nog in dienst blijven. Voor het gedeelte waarvoor hij nog werkt kan hij pensioen blijven opbouwen.



Voorbeeld/model

Tot zover de theorie wat gebeurt er nu in de praktijk? Daarvoor heb ik de financiële planning software aangezwengeld en een fictieve wetenschapper/model gemaakt. Dit model zal ons ook door de rest van de blogserie begeleiden:

  •  Wetenschapper met partner beide 40 jaar in 2020.
  • Wetenschapper: 80k€ bruto in loondienst, Partner: 45 k€ bruto in loondienst
  • Middel/eindloon pensioenen voor beiden op basis van 70% bruto loon op 68 jarige leeftijd. Dat is behoorlijk ideaal, maar haalbaar.
  •  Eigenwoning van 360 k€ aangeschaft op 35 jarige leeftijd met een 30 jarige annuïteitenhypotheek met een rente van 2,5%.
  • Twee kinderen 3 en 5 jaar oud. Uitgaven voor de studie van de kinderen volgens het Nibud.
  • Uitgaven voor levensonderhoud volgens het Nibud voor een gezin met deze samenstelling en inkomsten zijn: 48k€. Dit wordt gedefinieerd als het gewenst resterend budget
  • Er wordt gerekend met een inflatie van 2%. Alle getallen die ik laat zien zijn nominaal. Wat betekend teruggerekend naar huidige euro’s.
  •  Alle inkomstenbelastingberekeningen etc. worden gedaan in de financiële software (Figlo)
  • Overschotten en tekorten in het budget worden op een spaarrekening met 0,08% rente geparkeerd en onttrokken. Later in de blogserie zullen we ook beleggen.


De uitgangsituatie 


Zie de grafiek hieronder voor het budget van het wetenschapper gezin met een pensioendatum, die gelijk is aan de AOW datum:

Figuur 1: Budget in de uitgangssituatie.

Aan de groen gestreepte balken zien we dat er in de meeste jaren een overschot is. Tijdens de studiejaren van de kinderen (2032-2040) is dit iets minder. In 2045-2046 iets hoger: de annuïteitenhypotheek is afgelost en het huis is vrij. In 2047 is er een klein tekort. Ze gaan met de AOW datum in 2047 met pensioen, echter de pensioenfondsen beginnen pas in 2048 op de regel pensioenleeftijd (68) uit te keren. Dit tekort kan makkelijk uit overschotten of door het naar voren halen van de ouderdomspensioenen voor een jaar gedekt worden. Na 2048 is er weer een overschot. De bezittingen en schulden door de jaren heen zien er als volgt uit:

Figuur 2: Bezittingen en schulden in de uitgangssituatie

We zien de afname van de annuïtaire hypotheek en het aangroeien van de overschotten. Een klein dipje in 2047 wanneer het kleine tekort moet worden aangevuld. Er zit dus nog behoorlijk wat lucht in dit budget. Op 89 jarige leeftijd staat er ca 480 k€ op de spaarrekening (inflatie gecorrigeerd dus met huidige koopkracht). Dan wordt het misschien tijd om over een schenkingsplan na te denken…. Maar dat is weer voedsel voor een andere blog. Laten we proberen om 5 jaar eerder dan regel pensioendatum dus met 63 jarige leeftijd met pensioen te gaan.

 

5 jaar eerder met pensioen 

 

Hiervoor maken we gebruik van mogelijkheid om het pensioen 5 jaar naar voren te trekken. Als we rekening houden met een vermindering van het pensioen van 8% per jaar bij naar voren trekken, houden we nog maar 66% van het oorspronkelijke pensioen over als we 5 jaar eerder met pensioen gaan. We krijgen het natuurlijk wel 5 jaar eerder. Elk voordeel heeft zijn nadeel en andersom. Hoe ziet het budget er dan uit? 

Figuur 3: Budget bij 5 jaar eerder met pensioen (63 jaar) met naar voren trekken pensioenen.

Tot 2042 blijft alles bij het oude daarna wordt er met pensioen gegaan. Dit geeft tekorten van 2043 tm 2046. In de eerste 2 jaar zijn de tekorten het grootste, dan loopt de annuïteitenhypotheek nog. Er moeten dus 4 jaar lang tekorten worden aangezuiverd. Na 2047 houd alles zich in evenwicht er zijn geen grote overschotten of tekorten bij 2x AOW en 2x 66% van het oorspronkelijk pensioen. Hoe werkt zich dit uit op de bezittingen en schulden?

Figuur 4: Bezittingen en schulden in bij 5 jaar eerder met pensioen (63 jaar) met naar voren trekken pensioenen.

Tot 2042 blijft alles bij het oude daarna moeten de 4 jaar aan tekorten worden aangezuiverd. Daarna (vanaf 67) houdt zich alles in evenwicht. Op het einde van de rit bij 89 jarige leeftijd staan er nog ca. 180 k€ op de spaarrekening. 5 jaar eerder met pensioen naar voren trekken lijkt dus goed mogelijk.

Een andere mogelijkheid om 5 jaar eerder met pensioen te gaan is de 5 jaar eerder uit je spaarrekening te financieren en het pensioen niet naar voren te trekken. Dan verlies je alleen maar 5 jaar pensioenopbouw, dat is significant minder dan de 66% van het 5 jaar naar voren halen. Hoe ziet dit eruit in het budget?

Figuur 5: Budget bij 5 jaar eerder met pensioen (63 jaar) met financiering uit de spaarrekening.

Tot 2042 blijft alles bij het oude daarna wordt er met pensioen gegaan. Dit geeft veel grotere tekorten van 2043 tm 2047 dan bij pensioen naar voren trekken. Echter daarna (vanaf 68) zijn er door het hogere ouderdomspensioen weer overschotten. Laten we het vermogenssaldo voor beide opties eens vergelijken. 

Figuur 6: Vergelijking vermogenssaldo’s 5 jaar eerder met pensioen door pensioen naar voren te trekken (blauw) en 5 jaar eerder met pensioen door financiering va