De wetenschapper en zijn/haar pensioen:  zoals de paus of toch met een pragmatisch plan? Deel 4: andere opties en vroeg met pensioen 

Inleiding

 

 

In deel 1 over de wetenschapper en zijn/haar pensioen heb ik een inleiding gegeven en de AOW besproken, in deel 2 de pensioenregelingen zelf, in deel 3: Lijfrentes. Nu komen we bij deel 4. Een naam voor deel 4 is moeilijk. Meestal wordt in het pensioengebouw met de vierde pijler sparen en beleggen in box 3 bedoeld. Echter er zijn natuurlijk nog meerdere schroeven waar je aan kun draaien. Dus heb ik het maar andere opties en vroeg met pensioen genoemd. Met de gepensioneerde paus Benedict XVI en andere opties zijn we snel klaar. Hij ging pas met 85 met pensioen. Zelf denk ik dat hij gedurende zijn leven weinig tijd aan het denken over /plannen van zijn pensioen gespendeerd heeft. Hij was denkelijk met “hogere” zaken bezig.

Echter als we kijken naar de wetenschapper en anderen, dan kunnen er al snel andere wensen om de hoek komen, zoals bijvoorbeeld (heel) vroeg met pensioen of in ieder geval de optie hebben tot. Je kunt bijvoorbeeld denken, dat je je leven lang met plezier door wilt werken tot hoge leeftijd, maar dan kan het toch anders komen. Dit zie ik ook wel eens. Bij de opties in deel 4 / de vierde pijler komen al snel de 6 P’s langs: Previous Planning Prevents Piss Poor Performance. Dit zeg ik omdat meestal er een lange aanlooptijd is voor deze opties: bijvoorbeeld bij beleggen wil je zo vroeg mogelijk beginnen om gebruik te maken van de samengestelde rente. Of zoals Einstein het noemde: the most powerful force in the universe. Of omdat een beslissing over je hypotheekvorm aan de voorkant gemaakt wordt en veranderen tijdens de rit moeilijk is.

 

Ik heb naar 5 zaken gekeken: beleggen, je hypotheekvorm, je budget (aanpassen), eerder beginnen met sparen/beleggen en geld uit de stenen halen. Ook nu weer heb ik dit aan de hand van onze wetenschapper model familie gedaan. Ter herinnering:

 

Voorbeeld/model

 

Tot zover de theorie wat gebeurt er nu in de praktijk? Daarvoor heb ik de financiële planning software aangezwengeld en een fictieve wetenschapper/model gemaakt. Dit model heeft ons al door de rest van de blogserie begeleid:

  • Wetenschapper met partner beide 40 jaar in 2020.
  • Wetenschapper: 80k€ bruto in loondienst, Partner: 45 k€ bruto in loondienst.
  • Middel/eindloon pensioenen voor beiden op basis van 70% bruto loon op 68 jarige leeftijd. Dat is behoorlijk ideaal, maar haalbaar.
  •  Eigenwoning van 360 k€ aangeschaft op 35 jarige leeftijd met een 30 jarige annuïteitenhypotheek met een rente van 2,5%.
  • Twee kinderen 3 en 5 jaar oud. Uitgaven voor de studie van de kinderen volgens het Nibud.
  • Uitgaven voor levensonderhoud volgens het Nibud voor een gezin met deze samenstelling en inkomsten zijn: 48k€. Dit wordt gedefinieerd als het gewenst resterend budget.
  • Er wordt gerekend met een inflatie van 2%. Alle getallen die ik laat zien zijn nominaal. Wat betekent teruggerekend naar huidige euro’s.
  • Alle inkomstenbelastingberekeningen etc. worden gedaan in de financiële software (Figlo)
  •  Overschotten en tekorten in het budget worden op een spaarrekening met 0,08% rente geparkeerd en onttrokken. Nu gaan we ook beleggen.


In de onderstaande voorbeelden zullen we er vanuit gaan dat er niet veel jaarruimte is daar de pensioenregelingen van de model familie al relatief goed zijn. We nemen aan: € 2.000 jaarruimte die per jaar in een lijfrente beleggings product wordt afgestort voor de wetenschapper. En € 1.000 jaarruimte voor zijn/haar partner. In de lijfrente beleggings producten wordt offensief belegd. En tijdens de uitkeringsfase wordt defensief belegd. Het lijfrente beleggings product wordt op de pensioenleeftijd omgezet in een lijfrente beleggings uitkerings product wat (wettelijk bepaald) doorloopt tot 20 jaar na AOW leeftijd. Voor meer info zie deel 3 lijfrentes

 

Beleggen

 

Tot nu toe in het model zijn alle overschotten en tekorten in het budget op een spaarrekening met 0,08% rente geparkeerd en weer onttrokken wanneer nodig. Echter de inflatie en de vermogensrendementheffing doen natuurlijk hun werk en teren in op je spaarrekening. Dat is een zekerheid. Echter je verlies is bekend en niet zeer groot. Bij beleggen kom je in een ander gebied door het nemen van beleggingsrisico met een bepaalde beleggingshorizon is er kans op een groter rendement, echter ook kans op een groter verlies. Hoe langer je een som geld kan beleggen hoe kleiner de kans op verlies / slechte performance is. Dit is echter meer een onderwerp voor een andere blog. Belangrijk is dat als ik samen met iemand financiële planning doe, dat al deze aspecten van sparen en beleggen begrepen worden en ik hem/haar ondersteun in het maken van rationele keuzes hierin. 

Als uitgangssituatie heb ik gekozen voor het scenario uit deel 2: 8 jaar eerder met pensioen (60 jaar) met naar voren trekken pensioenen. Ook zijn hier de lijfrente beleggings producten toegevoegd. Er wordt nog niet belegd. Dit geeft een budget zoals in Figuur 1 kan worden gezien.


Figuur 1: Budget bij 8 jaar eerder met pensioen (60 jaar) met naar voren trekken pensioenen en beleggingslijfrentes.

Je ziet dat er vanaf 2040 (60 jaar) behoorlijke tekorten moeten worden aangezuiverd vanaf de spaarrekening. Echter vanaf 2047 zijn er geen grote tekorten meer (ook door minder inkomsten belasting vanaf AOW leeftijd en ons progressieve belastingstelsel). Gaan we het echter redden met onze spaarrekening? Zie onder de grafiek met de bezittingen en schulden. 

Figuur 2: Bezittingen en schulden bij 8 jaar eerder met pensioen (60 jaar) met naar voren trekken pensioenen en beleggings lijfrentes.

Je ziet dat de spaarrekening behoorlijk wordt aangesproken, echter hij gaat niet leeg. Zelfs in 2069 op 89 jarige leeftijd, staat er nog ca.42 k€ op. Schenkingsplannen zijn niet nodig….. Aan de andere kant zit er nog een hoop geld (360 k€) in de stenen van het huis. Dat kun je er ook nog uithalen (zie verderop). Dit is een krap scenario of niet? Dat ligt ook een beetje aan je risicobereidheid. Echter dit was alles op basis van de spaarrekening. 

Laten we eens kijken naar wat het betekend als we gaan beleggen. Hiervoor heb ik 2 opties gekozen: defensief en offensief beleggen. De parameters van de portefeuilles zie je in Tabel 1

 

Tabel 1: Modellen defensieve en offensieve beleggingsportefeuilles 

Als we naar Tabel 1 kijken zien we dat het beleggingsrisico en het rendement grotendeels wordt ingesteld door de verhouding aandelen/obligaties. Voor defensief is dit 30/70, voor offensief is dit 70/30. De waardegroei van een defensieve portefeuille is ca. 2,7 % per jaar, voor een offensieve portefeuille is het ca. 5,2 % per jaar.

Wanneer we kijken naar het beleggingsrisico kan men met de volatiliteit (standaarddeviatie Sx) een grootste jaarlijkse stijging / daling binnen 95 % waarschijnlijkheid (2×Sx) uitrekenen. Deze is voor de defensieve portefeuille 11,8% en voor de offensieve portefeuille 25,2 %. Een andere manier om naar het beleggingsrisico te kijken is de vuistregel te gebruiken, dat tijdens een echte grote beurscrash aandelen ca. de helft van hun waarde verliezen. Gelukkig komt dit niet vaak voor (2008-2009, jaren dertig vorige eeuw). Voor de defensieve portefeuille zou dit een daling van ca. 15% betekenen. Voor de offensieve portefeuille zou dit een daling van ca 35% betekenen. Hiervan moet je je als belegger dus wel bewust zijn en ermee kunnen leven. Helaas kijken de meeste beleggers alleen naar het rendement (en mogelijk kosten). Maar dat is misschien onderwerp voor een nieuwe blog.

Hoe ziet het er nu uit wanneer we in plaats van op de spaarrekening alle overschotten en tekorten defensief of offensief beleggen. Voor de rest houden we het scenario gelijk. Zie Figuur 3

Figuur 3: Vermogenssaldo: overschotten en tekorten sparen (rood), defensief beleggen (blauw), offensief beleggen (oranje)

 

Bij beleggen, de oranje en blauwe lijnen, wordt er significant meer vermogen opgebouwd tot de pensioenleeftijd van 60 jaar. Daarna wordt er ingeteerd in het conservatieve beleggings scenario blijft er aan het einde in 2069 op 89 jarige leeftijd 491 k€ over 89 k€ meer dan in het spaar scenario (402 k€). In het offensief beleggen scenario wordt er ook na 60 jaar eerst ingeteerd echter daarna doet het rente op rente effect zijn werk en eindigt men met 786 k€ in 2069 op 89 jarige leeftijd 384 k€ meer dan in het spaarscenario. Ook het verschil tussen defensief en offensief beleggen aan het einde van de rit is behoorlijk (295 k€). Langzaam begint de uitspraak van Einstein te dagen J. Vooral in het offensieve beleggings scenario zou men wel nog wat eerder met pensioen kunnen. Wat ook een mogelijkheid kan zijn, is om naar de pensioenleeftijd toe het beleggingsrisico af te bouwen, het zogenaamde life cycle beleggen. Op dit moment laat ik dat echter buiten beschouwing. Laten we echter eerst nog naar een andere schroef kijken, waaraan we kunnen draaien. Namelijk de hypotheek keuze.


Hypotheken en je pensioen

 

Welke hypotheek is nu het “beste” als je vroeg met pensioen wilt gaan. Tot nu toe had de model familie voor hun woonhuis van 360 k€ een 30 jarige annuïteitenhypotheek met een rentepercentage van 2.5 %. Echter je zou bijvoorbeeld ook voor een lineaire hypotheek kunnen kiezen. Of bijvoorbeeld in 20 jaar in plaats van 30 jaar aflossen (“vervroegd”). Ook is er de groep die zegt: zo lang mogelijk je hypotheek aanhouden, dan kun je profiteren van de hypotheekrenteaftrek en het “verschil” beleggen. Tegenwoordig kun je niet meer volledig aflossingsvrij financieren maar 50% aflossingsvrij en 50% annuïtair bijvoorbeeld is wel nog mogelijk. Deze 4 scenario’s heb ik naast elkaar gezet in Tabel 2.

 

Tabel 2: Hypotheekvormen alle met 2,5% hypotheekrente voor het 360 k€ woonhuis van de wetenschapper model familie: 

Kijken we naar de Tabel 2 dan zien we dat er bruto tussen de hypotheekvormen behoorlijk wat verschil is. 30 jaar Annuïtair is “duurder” dan 30 jaar lineair (17k€). De lineaire hypotheek 10 jaar sneller aflossen scheelt 45 k€. De 50% 30jaar aflossingsvrij en 50% 30 jaar annuïteit constructie is natuurlijk het duurste wegens de vele rente die je betaald (571 k€). Het verschil tussen de “goedkoopste” (20 jaar lineair) en “duurste” hypotheekvorm (50/50) is 121 k€ oftewel 27 % meer. Kun je dit door slim beleggen nog goed maken?

Hoe ziet het echter met de netto woonlasten uit? Je hebt immers het eigenwoningforfait, de hypotheekrenteaftrek, wet Hillen etc. die daar allemaal in meespelen. Gelukkig kan de financiële software dit allemaal uitrekenen en geeft dan de netto en nominale woonlasten tot einde hypotheek. Deze staan in kolom 3 van Tabel 2. De getallen zijn fiks lager dan de bruto getallen door feit dat er al 5 jaar aan de hypotheek is betaald: In het model wordt het huis met 35 jaar gekocht echter we beginnen pas met modelleren vanaf 40 jaar. Ook hier zien we weer dezelfde trend 30 jaar annuïtair is “duurder” dan 30 jaar lineair (15k€). De lineaire hypotheek 10 jaar sneller aflossen scheelt 20 k€. De 50% 30jaar aflossingsvrij en 50% 30 jaar annuïteit constructie is natuurlijk het duurste met 373 k€. Het verschil tussen de “goedkoopste” (20 jaar lineair) en “duurste” hypotheekvorm (50/50) is 81 k€ oftewel 28 % meer.

Hoe werkt zich dit nu uit voor onze wetenschaper model familie? Laten we het 60 jaar met pensioen en offensief beleggen scenario nemen en daarin de vier hypotheek modellen gebruiken. Het makkelijkste is om het vermogenssaldo in de tijd te plotten. Zie Figuur 4