Verbeter de wereld, begin bij je belastingaangifte: Compilatie van tips voor het efficiënt en gunstig invullen van je inkomstenbelasting.


1     Inleiding

Het is weer belasting seizoen. Op het internet wordt je doodgegooid met belastingtips echter vele artikelen zijn gespecialiseerd of gaan maar op enkele zaken in. Ik heb naar het invullen van de inkomstenbelasting gekeken met de blik van wat is nu nodig voor de wetenschapper of anderen, die zelf hun inkomstenbelasting invullen. Het wordt dan al snel een enorm epistel. Maar als je het tot het einde volhoudt, kun je mogelijk toch wel wat inkomstenbelasting besparen. En anders heb je toch heel veel geleerd over het Nederlandse belastingsysteem :-)

Tegenwoordig is de aangifte voor een groot deel al vooringevuld. Wanneer je hem op de site van de belastingdienst gaat invullen. Echter vele aftrekposten moet je zelf invullen en ook de meest optimale verdeling van aftrekposten tussen de fiscale partners (als je er een hebt) en de verdeling van het vermogen van box 3 tussen de fiscale partners worden niet gedaan. Dus als je bij een vooringevulde aangifte gewoon maar doorklikt en deze dan indient laat je meestal behoorlijk wat geld liggen.

De boel heb ik als volgt ingedeeld. Wanneer dien je de aangifte in? De aftrekposten (wonen, lijfrentes, reizen etc.). Daarna hoe je het beste schuift met je aftrekposten en vermogen zodat je zo weinig mogelijk belasting betaald of beter nog een flinke teruggave krijgt.

2     Wanneer en hoe moet ik aangifte doen?

In principe kun je aangifte doen vanaf 1 maart tot 1 mei.

Als je vóór 1 april aangifte doet, verzekert de Belastingdienst dat je vóór 1 juli bericht krijgt. Doe je na 1 april aangifte, dan streeft de Belastingdienst ernaar binnen drie maanden te reageren.

Doe je na 1 mei aangifte, dan moet je bij de Belastingdienst om uitstel vragen vóór 1 mei. Je krijgt dan binnen drie weken een bevestiging voor uitstel tot uiterlijk 1 september 2020. Bedenk wel dat uitstel in veel gevallen niet gratis is. Komt het uitstel zo uit dat de fiscus pas na 1 juli een aanslag kan opleggen, dan betaal je belastingrente. De belastingrente bedraagt momenteel 4 procent.

In algemene zin is het bij de digitale aangifte volgens de Belastingdienst doorgaans minder druk als je ‘s avonds na tien uur de aangifte verstuurt of in het weekend. Het drukst is het om 11 uur s’ochtends. Persoonlijk wacht ik altijd een weekje met indienen na 1 maart, omdat er soms nog fouten in het elektronische aangifteformulier aan het licht komen.

2.1    Moet ik eigenlijk aangifte doen?

Zoals de Belastingdienst schrijft: dat hangt ervan af. Je móet in ieder geval aangifte doen als je daartoe bent uitgenodigd met een aangiftebrief inkomstenbelasting.

Ook als je geen brief hebt ontvangen, kan het zijn dat je toch aangifte moet doen. Dit kun je vanaf 1 maart achterhalen door je aangifte in te vullen op Mijn Belastingdienst. Je verstuurt deze vervolgens niet. Op die manier doe je geen aangifte, maar zie je wel hoeveel belasting je terugkrijgt of moet betalen.

Krijg je 16 euro of meer terug en wil je die daadwerkelijk ontvangen, dan is het verstandig om aangifte te doen. De fiscus betaalt bedragen lager dan 16 euro niet uit.

Ben je de fiscus méér dan 46 euro verschuldigd, dan moet je aangifte doen. Is het bedrag dat je moet betalen lager dan 46 euro, dan hoef je géén aangifte doen.

3     Aftrekposten

3.1    Wonen

3.1.1       Ik heb in 2019 een woning gekocht: 

  • Het eigenwoningforfait hoef je alleen te berekenen over de periode waarin je woning je hoofdverblijf is. In de belastingaangifte vul je daarom bij het onderdeel ‘Woningen en andere onroerende zaken’ eerst de datum in waarop je eigenaar werd van de woning (passeren notaris). Vervolgens geef je op wanneer de woning je hoofdverblijf is geworden; vaak de datum waarop je bent ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het aangifteprogramma berekent hierna automatisch het juiste eigenwoningforfait.
  • Geef bij het onderdeel ‘Woningen en andere onroerende zaken’ de WOZ-waarde op die je in 2019 hebt ontvangen met waardepeildatum 1 januari 2018. Dus niet de WOZ-waarde die je begin 2020 hebt gekregen. Heeft de gemeente je WOZ-waarde voor 2019 nog niet vastgesteld, dan kun je de aankoopsom van je woning invullen als schatting. 
  • Heb je het recht van erfpacht op de grond? Geef dan de aftrekbare canon die je in 2019 hebt betaald op in de belastingaangifte. Dit kan bij het onderdeel ‘Woningen en andere onroerende zaken’. Heb je de erfpacht afgekocht en meegefinancierd in de hypotheek? Dan is de rente over dat deel aftrekbaar. De afkoop zelf is niet aftrekbaar.
  • Bij het afsluiten van je hypotheek heb je kosten gemaakt. Bekijk welke kosten aftrekbaar zijn › Deze kosten geef je op bij het onderdeel ‘Hypotheken en andere schulden’.


Overige aftrekposten: taxatie, notariskosten hypotheekakte, boeterente

Naast de hypotheekrente mag je ook de kosten aftrekken die je hebt gemaakt om de hypotheeklening te verkrijgen, mits het om een lening gaat waarbij je maandelijks aflost.

Denk hierbij aan de taxatie van je huis, notariskosten voor de hypotheekakte, afsluitprovisie, kosten van nieuwbouwdepot of verbouwingsdepot (zie verderop), eventueel betaalde boeterente (zie verderop), betaalde bouwrente na het sluiten van de voorlopige koopovereenkomst en de kosten van de aanvraag van Nationale Hypotheek Garantie.

Dit geldt niet alleen voor de aankoop van een huis, maar ook voor het oversluiten van je hypotheek.

 Niet aftrekbaar: notariskosten koopakte, overdrachtsbelasting

De notariskosten voor de koopakte daarentegen zijn níet aftrekbaar, want die hebben met de financiering van het huis niets te maken. Datzelfde geldt ook voor de courtage voor de makelaar die jouw huis heeft verkocht.

Ook betaalde overdrachtsbelasting, rekeningen voor onderhoud of een verbouwing en premies voor je opstalverzekering mag je niet aftrekken. Premies voor een kapitaalverzekering eigen woning, stortingen op een spaarrekening eigen woning vallen er eveneens buiten.

Als je een deel van de geldlening voor andere doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld voor de aanschaf van een auto of als aanvulling op je inkomen, dan zijn de rente en kosten over dat bedrag evenmin aftrekbaar.

3.1.2       Ik heb in 2019 een woning verkocht

  • Heb je in 2019 een woning verkocht met overwaarde? En een andere woning gekocht? Let dan op de Bijleenregeling. Het kan zijn dat niet alle rente over de nieuwe schuld nog aftrekbaar is.
  • Heb je in 2019 een woning verkocht met restschuld? Rente en kosten van restschulden die zijn ontstaan na 1 januari 2018 zijn niet meer aftrekbaar. De aftrekregeling geldt alleen voor restschulden die zijn ontstaan tussen 29 oktober 2012 en 31 december 2017. De restschuld geef je op in box 3.

3.1.3       Ik had in 2019 een bouwdepot

  • Had je in 2019 een nieuwbouwdepot, dan kun je dit in de belastingaangifte apart opgeven, bij het onderdeel ‘Bankrekeningen en andere bezittingen’ en ‘Bouwdepots’. Over het bedrag dat in het depot staat, heb je een rentevergoeding ontvangen én heb je rente betaald. De vergoeding trek je af van de betaalde rente. Wat overblijft mag je als aftrekbare rente in de belastingaangifte invullen. Heb je het depot al twee jaar en nog niet volledig besteed? Dan kun je de betaalde rente over de hoogte van het resterende depot niet meer aftrekken totdat je het alsnog aan de woning uitgeeft. 
  • Had je in 2019 een bouwdepot voor het verbouwen van je huis? Je hoeft de ontvangen rente dan de eerste zes maanden niet in mindering te brengen op de betaalde rente. Als de verbouwing langer duurt, moet je de rente die je na deze zes maanden ontvangt wél in mindering brengen. Geef het verbouwingsdepot op bij de onderdelen ‘Bankrekeningen en andere bezittingen’ en ‘Bouwdepots’. Bij het onderdeel ‘Hypotheken en andere schulden’ kun je de aftrekbare rente opgeven. 

3.1.4       Ik ben in 2019 gescheiden

  • Ben je in 2019 gescheiden, dan kun je er samen voor kiezen om voor het jaar van uit elkaar gaan fiscaal partner te blijven. Voordeel hiervan is onder andere dat je de aftrek eigen woning in het slot van de belastingaangifte naar eigen inzicht kunt verdelen. Dit kan een groter fiscaal voordeel opleveren. Vaak is dat het geval als je de aftrek bij de partner met het hoogste inkomen invult.
  • Ben je in 2019 gescheiden, geen fiscaal partner meer en was de woning nog gezamenlijk eigendom, dan mag je alleen jouw aandeel in de woning en hypotheekschuld opgeven in de belastingaangifte. Je kunt alleen de hypotheekrente aftrekken die je zelf hebt betaald. In de praktijk neemt vaak één van de twee het volledige bedrag aan hypotheekrente voor zijn/haar rekening, maar ook dan heb je maar recht op aftrek van 50 % van de betaalde hypotheekrente. De andere 50 % kan eventueel aftrekbare partneralimentatie zijn, maar dan moet de verplichting tot betaling wel zijn vastgelegd in bijvoorbeeld een convenant.
  • Ben je na scheiden uit jullie woning vertrokken en blijft je ex achter in de woning die nog wel gezamenlijk eigendom is, dan mag je jouw aandeel in de woning en hypotheekschuld nog voor maximaal twee jaar opgeven in box 1. Dit is de Scheidingsregeling. De tweejaarstermijn gaat lopen vanaf het moment dat je uit de woning vertrekt. Na twee jaar verhuist je aandeel in de woning en de hypotheekschuld naar box 3 en eindigt je recht op renteaftrek.

3.1.5       Ik heb in 2019 mijn hypotheekschuld volledig afgelost

  • Heb je in 2019 je hypotheek volledig afgelost, dan is je eigenwoningforfait hoger dan je aftrekbare kosten, zoals de hypotheekrenteaftrek. Volgens de Wet Hillen heb je recht op een extra aftrekpost ter grootte van het verschil. Vanaf 2019 wordt deze aftrekpost in 30 jaar volledig afgebouwd. Dit betekent dat je in de toekomst over een deel van het eigenwoningforfait belasting gaat betalen.
  • Wanneer je de hypotheek uit het kadaster laat uitschrijven door de notaris, kun je deze kosten ook aftrekken in box 1. Het zijn immers kosten gerelateerd aan de eigenwoning lening

3.1.6       Ik heb mijn (voormalige) woning in 2019 verhuurd

  • Heb je je woning in 2019 tijdens een vakantie tijdelijk verhuurd? Geef de verhuurperiode en de inkomsten uit de verhuur op bij het onderdeel ‘Woningen en andere onroerende zaken’. Het aangifteprogramma telt automatisch 70% van de huuropbrengsten bij het eigenwoningforfait op. Meer weten over de fiscale gevolgen in deze situatie?  
  • Staat je woning te koop en heb je deze in 2019 tijdelijk verhuurd? Bij het onderdeel ‘Woningen en andere onroerende zaken’ kun je aangeven vanaf welke datum de woning ‘Bewoond is door een ander’. Vervolgens geef je aan dat de woning werd verhuurd. Houd er rekening mee dat de rente over de hypotheekschuld in de periode van verhuur niet aftrekbaar is. Lees meer over de fiscale gevolgen bij tijdelijke verhuur ›
  • Was er in 2019 sprake van permanente verhuur? Dan heeft de huurder vaak recht op huurbescherming. Als je aangeeft dat de woning niet in de verkoop stond tijdens de verhuur, neemt het aangifteprogramma de woning automatisch mee in box 3. Ook treedt vanaf het moment van verhuur de Bijleenregeling in werking en is de rente over de hypotheekschuld niet meer aftrekbaar. Daarnaast mag je een permanent verhuurde woning voor een lagere waarde dan de WOZ-waarde opgeven.

 3.1.7       Ik heb in 2019 onderhoud gepleegd aan mijn rijksmonument

  • De kosten voor onderhoud van een rijksmonument mag je in 2019 niet meer in aftrek brengen in de belastingaangifte. In 2019 is de aftrek vervangen door de Woonhuissubsidie. Alleen de onderhoudskosten die bijdragen aan de instandhouding van de monumentale waarden, zoals de kosten voor schilderwerk, timmerwerk en stukadoorswerk, komen in aanmerking voor subsidie. Meer weten over deze subsidie?

3.2    Lijfrente

Een lijfrente is in theorie een prima manier om pensioen op te bouwen. De inleg is onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar voor de belasting in box 1; bij de opbouw is de spaar- of beleggingspot niet belast in box 3 en pas over de uitkeringen betaal je inkomstenbelasting.

Veel polis- en rekeninghouders begrijpen de complexe regels van de lijfrente-aftrek niet. Ze leggen op jaarbasis méér in bij de vermogenspot dan zij aan premie mogen aftrekken voor de inkomstenbelasting. Een deel van de inleg is zodoende niet aftrekbaar. Je betaalt over deze premie-inleg dus wel belasting, wat het fiscale voordeel van de hele lijfrenteconstructie aanzienlijk vermindert.

Informeer je dus goed hoeveel per jaar je kunt inleggen en hoeveel je mag aftrekken in box 1

3.3    Reiskosten

3.3.1       Reiskosten: met het OV

Wie in loondienst is en met het openbaar vervoer naar zijn werk reist, mag hiervoor onder voorwaarden een vast bedrag aftrekken. De hoogte van dat bedrag hangt af van de afstand die je moet overbruggen en de reisfrequentie. Het is maximaal 2.116 euro. De tabel met de bedragen vind je hier.

Krijg je van je baas een tegemoetkoming in de reiskosten, dan moet je deze vergoeding van dit bedrag aftrekken.

Om voor deze aftrekpost in aanmerking te komen, moet je wel aan een aantal voorwaarden voldoen. De reisafstand moet minimaal tien kilometer zijn en je reist minimaal één dag per week naar je werk (of minimaal 40 dagen per jaar). Woon je dicht bij je werk, dan mag je de kosten voor je busritjes naar kantoor dus helaas niet aftrekken van je inkomen.

Verder moet je zelf een flinke bijdrage leveren aan de reiskosten (minimaal 70 procent van de kostprijs). Heb je de vervoersbewijzen (zoals bus- of treinkaartjes) van je werkgever gekregen? Dan heeft hij je reiskosten betaald en kun je dus geen reiskosten aftrekken.

Bewaar je bewijsmateriaal

Om de reiskosten te kunnen aftrekken, moet je uiteraard wel bewijsmateriaal kunnen overhandigen. De fiscus eist een openbaarvervoerverklaring (die je aanvraagt bij het vervoerbedrijf) of reisverklaring van je werkgever (als je losse kaartjes koopt of met je OV-chipkaart reist).

Sommige vervoersmaatschappijen, zoals de NS, geven abonnementsgegevens (van maand- en jaarkaarten) al automatisch aan de Belastingdienst door. In dat geval heb je geen openbaarvervoerverklaring nodig.

Heb je een reisverklaring, zorg dan wel dat je kunt bewijzen dat je echt met de bus of trein hebt gereisd; bijvoorbeeld via betalingsgegevens van je OV-chipkaart of een overzicht van reizen die je met die kaart hebt gemaakt.

Let wel op: overzichten van een anonieme OV-kaart gelden niet als bewijs!

Maak tijdig een uitdraai van de reizen die je hebt gemaakt, want deze gegevens worden na 18 maanden vernietigd.

Reizen naar verschillende plekken

Sommige werknemers moeten op één dag naar verschillende plekken reizen. Zij mogen alleen de reiskosten aftrekken naar de plaats waar ze het vaakst naartoe gaan. Is de verdeling fifty-fifty, dan mag je uitgaan van de locatie met de langste reisafstand.

 3.3.2       Reiskosten: met je eigen auto of fiets

Ga je met je eigen auto of de fiets naar je werk, dan heb je geen recht op reisaftrek. Wel mag je baas maximaal 19 eurocent per kilometer onbelast vergoeden.

Reis je met zowel het openbaar vervoer als met de auto of fiets, dan kun je – als je aan de voorwaarden voldoet – in aanmerking komen voor reisaftrek voor het gedeelte dat je aflegt per bus, tram, metro of trein.


Carpoolen

Wie besluit te carpoolen, mag hiervoor een vergoeding van zijn baas krijgen. Als de werkgever dit organiseert, mag hij 19 cent per kilometer onbelast vergoeden, inclusief omrijkilometers. Maar organiseer jij het zelf, dan vallen de kilometers die je moet omrijden helaas buiten de vergoeding.

 3.3.3       Reiskosten: Met een auto van de baas

Rijd je in een auto van je werkgever, dan moet je werkgever een fictief bedrag als loon bij je salaris tellen, voor het voordeel dat je hebt van het privégebruik van de auto: de bijtelling. Je moet hierover belasting betalen. De hoogte van de bijtelling hangt af van de catalogusprijs en de datum waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven.

Betaal je een eigen bijdrage voor het privégebruik auto van de werkgever, dan trekt je werkgever deze af van de bijtelling. Mocht jouw eigen bijdrage de bijtelling overtreffen, dan wordt de bijtelling teruggebracht naar nul. Een negatieve bijtelling is helaas niet mogelijk.

Ziekte of verlof heeft overigens geen invloed op de bijtelling als je in die periode de auto van je werkgever tot je beschikking had. Je mag voor deze periode dus geen bedrag in mindering brengen; tenzij je de auto hebt ingeleverd bij je werkgever.

Verder is het belangrijk om je te realiseren dat je inkomen omhoog gaat door de bijtelling. Dat kan gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag.

 3.3.4       Let op: bijtelling voor privé-gebruik geldt vijf jaar

De bijtellingstarieven voor privé-gebruik worden elk jaar tegen het licht gehouden. Voor auto’s waarvan het kenteken voor het eerst in 2019 is afgegeven, gelden er twee tarieven: 4 procent voor volledig elektrische auto’s en 22 procent voor alle overige auto’s; inclusief hybride auto’s.

Heb je in 2019 een elektrische auto genomen met een catalogusprijs boven de 50.000 euro, dan ben je over het bedrag dat boven die prijsgrens uitkomt 22 procent bijtelling verschuldigd. Gaat het bijvoorbeeld om een elektrische auto van 80.000 euro, dan bedraagt de bijtelling 8.600 euro (4 procent over 50.000 euro plus 22 procent over 30.000 euro).

Voor auto’s waarvan het kenteken eerder is afgegeven, moet je uitgaan van de tarieven van het betreffende jaar. Deze bijtelling moet je vijf jaar achter elkaar toepassen. Daarna geldt een nieuw percentage, volgens de dan geldende normen.

Is bijvoorbeeld het eerste kenteken van de benzineauto waarin jij rijdt in februari 2017 afgegeven, dan moet je tot januari 2022 de toenmalige bijtelling (van 15 procent) hanteren. Daarna wordt een nieuw percentage vastgesteld, volgens de dan geldende normen.

Maar is jouw benzineauto in maart 2019 voor het eerst op de weg toegelaten, dan moet je tot en met februari 2024 uitgaan van een bijtelling van 22 procent.

Lagere bijtelling voor youngtimers

Voor auto’s die ouder zijn dan 15 jaar geldt een ander tarief. Hiervoor moet je 35 procent van de waarde van het auto in het economisch verkeer hanteren, ofwel de dagwaarde. Die is lager dan de cataloguswaarde.

3.3.5       Weinig privéritten: geen bijtelling

Als je met de auto van je werk niet meer dan 500 privékilometers per jaar rijdt, is een bijtelling niet nodig. Je moet dat wel duidelijk kunnen bewijzen met een sluitende kilometeradministratie. De ritten van je werk naar huis en vice versa gelden als zakelijke ritten.

Heb je de auto niet het hele kalenderjaar tot je beschikking, dan moet je het aantal privékilometers verrekenen tot een heel jaar. Had je bijvoorbeeld vier maanden (dus een derde kalenderjaar) een auto van de zaak en legde je in die periode 150 privékilometers af, dan komt het totale aantal privékilometers uit op 450 (150 x 3): net voldoende om de bijtelling te ontlopen.

Maar zou je in die periode 200 kilometer privé hebben gereden, dan zou je volgens de rekensom uitkomen op 600 privékilometers en moet er dus wel een bedrag bij je loon worden opgeteld.

Ben je vorig jaar van baan veranderd en had je bij beide werkgevers een auto van de zaak, dan moet voor elke auto de bovenstaande rekenexercitie worden uitgevoerd.

3.4       Ziekte/zorgkosten

De gezondheidszorg is goed, maar niet voordelig. De gemiddelde Nederlander is zo’n 1.400 euro per jaar kwijt aan zorgpremie en wordt daarnaast geconfronteerd met een fors eigen risico.

Maar wie gezond is en weinig zorgkosten maakt, kan helaas maar weinig aftrekposten opvoeren. Zo mag je de kosten voor een bril, krukken bij een gebroken been of een doosje paracetamol van de drogist helaas niet in mindering brengen op je inkomen.

Ook zorgpremies, het eigen risico en de wettelijke bijdrage aan het CAK voor bijvoorbeeld thuiszorg zijn niet aftrekbaar.

Hoge drempel: weinig zorgkosten aftrekbaar

Als je al kosten mag aftrekken, geldt ook nog een forse drempel, die vooral bovenmodale inkomens parten speelt. Ter illustratie: een gezin dat vorig jaar een gezamenlijk inkomen had van 60.000 euro (ruim anderhalf keer modaal), heeft te maken met een drempel van maar liefst 1.765 euro. Alleen de zorgkosten die daar bovenuit komen zijn aftrekbaar.

De overheid wil hiermee de aftrek beperken voor wie dit het hardst nodig heeft: chronisch zieken met hoge zorgkosten en een relatief laag inkomen.

Hoe gaat het in zijn werk?

Je mag in je belastingaangifte de ziektekosten opvoeren van jezelf, je fiscaal partner en eventuele kinderen die jonger zijn dan 27 jaar en de kosten niet zelf kunnen dragen. Woon je in huis met een ernstig gehandicapt persoon van 27 jaar en ouder, dan mag je ook zijn/haar zorgkosten aftrekken.

Je mag alleen de kosten aftrekken waarvoor je geen vergoeding krijgt. Alles wat je terugkrijgt van de overheid valt daarbuiten. Denk bijvoorbeeld aan:

  • een vergoeding van je (aanvullende) zorgverzekering
  • ziektekosten die je voorschiet, maar later alsnog krijgt vergoed.
  • bijzondere bijstand.

Heb je gebruik gemaakt van zorg door een aanbieder waarmee jouw verzekeraar geen contract heeft afgesloten en moet je daarom een deel van de zorg zelf betalen, dan heb je pech: deze kosten zijn niet aftrekbaar.

Dat geldt ook voor de premie voor je ziektekostenverzekering en het verplichte en eventueel vrijwillige eigen risico. Ook die kosten zijn niet fiscaal aftrekbaar bij de aangifte voor de inkomstenbelasting.

De wettelijke bijdrage aan het Centraal Administratiekantoor (CAK), voor bijvoorbeeld hulp in de huishouding, thuiszorg of verblijf in een zorginstelling, mag je evenmin aftrekken.

 Tandarts, fysiotherapeut en logopedist

Alle overige kosten komen wel voor aftrek in aanmerking. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een dure tandheelkundige behandeling die niet of slechts gedeeltelijk wordt gedekt door je aanvullende verzekering. Of aan bezoekjes aan de mondhygiënist, logopedist, fysiotherapeut, homeopaat of acupuncturist waarvoor je je niet aanvullend hebt verzekerd.

 Medicijnen

Het heeft geen zin het bonnetje te bewaren van het pakje paracetamol of maagzuurremmers dat je bij de drogist hebt gekocht. Aftrek is namelijk alleen mogelijk voor de kosten van medicijnen die door een arts zijn voorgeschreven en die je volledig uit eigen zak hebt betaald. Dit kunnen ook homeopathische medicijnen zijn.

Let wel: het gaat alleen om medicijnen die als geneesmiddel worden gebruikt. Medicatie om een ziekte te voorkomen is helaas niet aftrekbaar.

De wettelijke bijdrage die je hebt moeten betalen voor je medicijnen zijn geen aftrekpost.

 Dieet

Voor dieetkosten geldt een vergelijkbaar regime als voor medicijnen. Een afslankkuur van de drogist mag je niet als aftrekpost opvoeren, maar de rekening van een dieet op voorschrift van een arts of diëtist wél. Je moet hiervoor een vast bedrag aftrekken, afhankelijk van het type dieet. De hoogte hiervan kun je vinden in deze dieetlijst voor 2019 van de Belastingdienst.

Heb je dit dieet maar een deel van het jaar gevolgd, dan moet je de kosten naar rato opvoeren. Ben je bijvoorbeeld zes maanden op dieet geweest, dan mag je van het vaste bedrag uit de lijst dus de helft aftrekken.

Als je twee dezelfde diëten hebt gevolgd voor verschillende ziektebeelden, mag je éénmaal tot aftrek overgaan. Dit geldt ook als je voor het zelfde ziektebeeld twee of meer diëten van deels dezelfde typering volgt. Je mag wel het hoogste bedrag kiezen.

Maar volg je twee diëten met verschillende typeringen voor hetzelfde ziektebeeld, dan mag je het bedrag voor beide diëten aftrekken.

 Dyslexie

Krijgt je kind ondersteuning voor dyslexie, dan moet je goed opletten. Dyslexiezorg voor minderjarigen is niet aftrekbaar. Maar een dyslexiepakket, zoals een softwarepakket, is dat dat wèl.

 Hulpmiddelen

Voor medische hulpmiddelen moet je goed op de lijst van de Belastingdienst kijken, want lang niet alles mag je in mindering brengen. Bonnetjes voor de aanschaf van bijvoorbeeld steunzolen, een gehoorapparaat (zie verderop) of een prothese mag je opvoeren. Dit geldt ook voor alle nota’s voor reparaties, onderhoud en de verzekering van deze hulpmiddelen.

Maar de aftrek voor kosten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een rollator, looprek, krukken, een scootmobiel of rolstoel is al enkele jaren geleden afgeschaft. Voor een eerder gekochte scootmobiel of rolstoel mag je nog wel de afschrijvingskosten opvoeren, mits de afschrijvingstermijn nog niet is verlopen (zie verderop).

Voor een personenalarm hangt het van de situatie af of dat aftrekbaar is. De nota voor een gewoon personenalarm in bijvoorbeeld een seniorenwoning, mag je helaas niet aftrekken. Maar als het systeem is aangeschaft voor een specifieke ziekte, zoals epilepsie, mag dat wel.

 Bril

Hulpmiddelen die je gezichtsvermogen vervangen, zoals een blindenstok, een blindengeleidehond of specifieke aanpassingen aan de computer, zijn aftrekbaar.

Maar middelen die jou helpen beter te zien, zoals een bril, contactlenzen of een ooglaserbehandeling zijn dat niet. Dat geldt eveneens voor lenzenvloeistof.

Gehoorapparaat

Heb je vorig jaar een gehoorapparaat gekocht waarvan een deel van de kosten niet werd vergoed, dan mag je het deel dat je zelf hebt betaald aftrekken. Voorwaarde is wel dat de meerprijs alleen is ontstaan omdat je een duurder apparaat wilde hebben om functionele redenen; bijvoorbeeld omdat dat apparaat beter is, prettiger zit of omdat je minder fluittonen hoort.

Heb je een duurder apparaat aangeschaft vanwege een persoonlijke voorkeur (bijvoorbeeld omdat je liever een andere kleur wilde), dan zijn deze extra kosten niet aftrekbaar.

Ook voor deze aftrekpost geldt dat kosten alleen aftrekbaar zijn voor zover deze niet onder het verplicht en vrijwillig eigen risico of een verplichte eigen bijdrage vallen.

Voor andere hulpmiddelen geldt eveneens als hoofdregel dat de fiscus niet meebetaalt aan extra kosten omdat je bijvoorbeeld het hulpmiddel in een andere kleur wil of andere specifieke voorkeuren hebt.

 Afschrijvingen

Zoals gezegd zijn de kosten voor een rolstoel of scootmobiel niet meer aftrekbaar. Maar eventuele afschrijvingskosten zijn dat nog wel, afhankelijk van de afschrijvingstermijn. Heb je zo’n vervoermiddel voor 2014 aangeschaft en nog niet helemaal afgeschreven, dan mag je de afschrijvingen blijven aftrekken tot de afschrijvingstermijn is verlopen. Omdat deze termijn meestal vijf jaar bedraagt, mogen de meeste belastingbetalers in hun aangifte over 2019 hiervoor geen bedrag meer aftrekken.

Houd bij afschrijvingen wel rekening met de restwaarde. Deze is meestal 10 procent.

Afschrijven is vaak nodig voor hulpmiddelen die na gebruik nog door andere mensen kunnen worden overgenomen. Hulpmiddelen die op maat zijn gemaakt of speciaal voor jou zijn aangepast, kunnen meestal geen tweede leven krijgen. Deze kosten heb je als het goed is in één keer afgetrokken.

 Woningaanpassingen

De kosten voor aanpassingen aan een woning, zoals een aangepaste doucheruimte, zijn niet aftrekbaar. Ook energiekosten of huur voor een aangepaste woning of extra kosten omdat bijvoorbeeld vloerbedekking vanwege een rolstoel sneller slijt mag je niet in mindering brengen op je inkomen. Dat geldt eveneens voor de kosten voor een verhuizing naar een verzorgingshuis en de inrichting van de nieuwe woonruimte.

 Overige aanpassingen

Andere aanpassingen, bijvoorbeeld aan je auto of computer, zijn wel aftrekbaar, mits deze vooral worden gebruikt door de zieke of invalide persoon waarvoor die aanpassingen zijn bedoeld.

 Zorgrobots

Steeds meer mensen maken gebruik voor robots om hun dagelijks leven te vergemakkelijken. De kosten hiervoor zijn uitsluitend aftrekbaar als het gaat om een zorgrobot, die wordt aangemerkt als hulpmiddel. De kosten voor een robotstofzuiger zijn dus niet aftrekbaar, ook al gebruik je die omdat je om medische redenen het huishouden niet kunt doen. Maar een robot die je bijvoorbeeld helpt bij eten en drinken mag je wèl in aftrek brengen.

 Vervoerskosten

De kosten voor vervoer naar het ziekenhuis of de huisarts mag je in mindering brengen op je inkomen in je belastingaangifte over 2019. Denk bijvoorbeeld aan het bonnetje voor een taxirit of de kosten voor een busrit.

Reis je met de auto, dan mag je niet alleen de benzinekosten aftrekken, maar ook parkeergelden, kosten voor onderhoud, afschrijving en de verzekeringspremie. Zelfs de kosten voor de wasstraat zijn aftrekbaar.

De berekening van deze kosten gaat als volgt:

  • Tel eerst alle kosten voor je auto bij elkaar op.
  • Deel dit door het aantal gereden kilometers per jaar. Hier rolt kilometerprijs uit.
  • Vermenigvuldig deze prijs met het aantal kilometers dat je voor het bezoek aan de arts of ziekenhuis hebt gereden.

Let wel even op wat je doet met de parkeerkosten. Je mag deze meenemen in de kilometerprijs, maar ook apart opvoeren. Dat laatste is meestal gunstiger.

 … extra kosten voor chronisch zieken

Chronisch zieken die vaak naar hun huisarts of het ziekenhuis moeten, geven aanzienlijk meer geld uit aan vervoer dan gezonde mensen. Deze extra kosten (inclusief afscherijvingen, onderhoud en autoverzekering) mag je opvoeren in je belastingaangifte over 2019, na aftrek van eventuele vergoedingen van je zorgverzekeraar.

Je moet wel aannemelijk kunnen maken dat je inderdaad duurder uit bent dan iemand met een vergelijkbaar inkomen die niet ziek of invalide is. Om hierachter te komen kun je je eigen kosten vergelijken met de gemiddelden op de website van het Nibud. Staat er in de Nibud-tabel bij jouw inkomen en huishouden bijvoorbeeld een bedrag van 276 euro, maar geef je iedere maand 350 euro uit aan vervoer, dan mag je voor die maand dus 74 euro als aftrek opgeven bij de belastingaangifte.

 Reiskosten voor familiebezoek

Ook de reiskosten voor ziekenbezoek aan huisgenoten zijn aftrekbaar. Hier worden wel strikte eisen aan gesteld. Je mag de kosten alleen opvoeren als de patiënt in totaal langer dan een maand is verpleegd voor dezelfde aandoening. De afstand tussen jullie woning en het ziekenhuis/verzorgingstehuis moet bovendien langer zijn dan tien kilometer.

Voor autoritjes mag je 19 cent per kilometer aftrekken en voor tripjes per taxi of het openbaar vervoer de werkelijke reiskosten.

 Gezinshulp

Wie extra gezinshulp krijgt, mag onder voorwaarden de kosten aftrekken. Verdiende je vorig jaar meer dan 31.744 euro, dan mag je alleen de kosten opvoeren die boven een bepaalde drempel uitkomen. Deze bedraagt 1, 2 of 3 procent van je inkomen, afhankelijk van de hoogte van je zogeheten drempelinkomen: het resultaat van alle inkomsten en aftrekposten.

Zoals gezegd is de wettelijke eigen bijdrage aan het CAK voor bijvoorbeeld hulp in de huishouding of thuiszorg niet aftrekbaar.

 Kleding en beddengoed

Een andere aftrekpost zijn kosten voor extra kleding en beddengoed. Voor deze uitgaven mag je net als vorig jaar een vast bedrag aftrekken: 300 euro. Kun je aantonen dat de extra uitgeven hoger waren dan 600 euro, dan geldt een hogere aftrekpost, van 750 euro.

Voorwaarde om voor deze fiscale tegemoetkoming in aanmerking te komen is wel dat de kosten rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit en dat deze ziekte (naar verwachting) minimaal een jaar duurt.

Je moet de kosten verder naar rato opvoeren. Ben je bijvoorbeeld vanaf juli ziek geweest, dan mag je dus de helft van het bedrag aftrekken.

 Uitvaart: alleen aftrekbaar voor erfbelasting

De kosten voor uitvaart of crematie vormen geen aftrekpost voor ziektekosten in je aangifte voor de inkomstenbelasting. Je mag deze wel aftrekken van de erfenis, voor de erfbelasting. Wel moet je van deze kosten eventuele uitkeringen van een uitvaartverzekering aftrekken.

 Let op de drempel

Heb je alle kosten bij elkaar opgeteld, dan is het nog maar de vraag of je voor aftrek in aanmerking komt. Je mag namelijk alleen het deel van de uitgaven aftrekken dat uitkomt boven een bepaalde drempel. De hoogte van deze drempel hangt af van je drempelinkomen.

De lat ligt hoog; vooral voor hogere inkomen:

  • Voor een inkomen onder de 7.739 euro ligt de drempel op 133 euro.
  • Met een inkomen tussen 7.739 en 41.107 euro bedraagt de drempel 1,65 procent van dat inkomen.
  • Daarboven geldt een drempel van 660 euro, vermeerderd met 5,75 procent van het bedrag boven 41.107 euro.

Heb je bijvoorbeeld een inkomen van 40.000 euro, dan ligt de drempel dus op 660 euro. Je mag dan alleen de kosten die daar boven uit komen aftrekken. Met een inkomen van 45.000 euro is de drempel opgelopen tot 884 euro.

Heb je een fiscaal partner, dan geldt voor een gezamenlijk inkomen onder 15.478 euro een drempel van 266 euro. Daarboven heb je te maken met dezelfde drempels als bij mensen zonder fiscaal partner. Deze bedragen worden dus niet verdubbeld. Je moet wel de zorgkosten en beide inkomens bij elkaar optellen.

Extra verhoging voor lagere inkomens

De overheid komt mensen met een laag inkomen extra tegemoet: zij mogen meer aftrekken dan ze in werkelijkheid hebben betaald voor zorgkosten. Komt je (gezamenlijke) drempelinkomen niet boven de 34.817 euro uit, dan mag je namelijk het bedrag voor de uitgaven voor specifieke zorgkosten verhogen met een bepaald percentage: 113 procent voor wie op 1 januari 2019 de AOW-leeftijd had bereikt en 40 procent voor wie op dat moment nog niet de AOW-leeftijd had bereikt.

Heb je een fiscaal partner en heeft een van beiden nog niet de AOW-leeftijd bereikt, dan mogen beide partijen een verhoging van 113 procent doorvoeren.

Let wel op: de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en de reiskosten ziekenbezoek tellen niet mee voor deze verhoging. Alle overige posten wel.

3.5    Kinderopvang, alimentatie en giften…

 Wie goed voor anderen zorgt, wordt hierin tegemoet gekomen door de overheid. Welke kosten kun je zoal aftrekken van je inkomstenbelasting voor 2019?

Giften aan goede doelen gelden als een interessante aftrekpost, maar hiervoor geldt wel een drempel en een maximum. Wil je je giften volledig aftrekken, dan kun je een periodieke gift overwegen.

Ben je gescheiden en betaal je partneralimentatie, dan mag je dit bedrag aftrekken van je inkomen. Betaalde kinderalimentatie is sinds enkele jaren niet meer aftrekbaar als schuld in box 3 (vermogensbelasting).

Ook eventuele advocaatkosten die je hebt betaald om de hoogte van de alimentatie vast te stellen, mag je helaas niet opvoeren als aftrekpost. Ben jij de ontvangend partij, dan mag je de kosten die je hebt gemaakt om de alimentatie te krijgen (of te houden) wél aftrekken.

Partneralimentatie: aftrek bij de aangifte 2019

Je betaalt partneralimentatie

Ben je gescheiden of uit elkaar gegaan, dan mag je de kosten voor partneralimentatie en andere onderhoudsverplichtingen aftrekken van je belastbare inkomen. Het is daarbij niet van belang of de regeling via de rechter of langs informele weg tot stand is gekomen, zolang deze maar door beide partijen is vastgelegd.

In bepaalde situaties is ook een afkoopsom van alimentatie aan je ex-echtgenoot aftrekbaar.

Woonde je ex-partner afgelopen jaar in het huis waarvan jij (mede)eigenaar was, dan mag je ook het eigenwoningforfait (een woonbelasting) dat jij hebt aangegeven voor (jouw deel van) het huis aftrekken als alimentatie.

Zijn jullie al langer dan twee jaar uit elkaar en ben je nog steeds mede-eigenaar van het huis? Dan moet je de waarde van jouw deel van de woning en de bijbehorende schuld aangeven in box 3 (sparen en beleggen). In dat geval is toch een deel van het bedrag van het eigenwoningforfait als alimentatie aftrekbaar.

De kosten voor een advocaat en een juridische procedure om de alimentatie vast te stellen, aan te passen of stop te zetten zijn helaas níet aftrekbaar. Dat geldt ook voor pensioenrechten die jouw pensioenfonds direct uitkeert aan je ex-partner.

Het kabinet heeft voor 2020 het mes gezet in de maximale aftrek van partneralimentatie. Maar dit is nog niet van belang voor je belastingaangifte over 2019.

Je ontvangt partnernalimentatie

Ben jij de ontvangende partij, dan mag je de kosten die je hebt gemaakt om de alimentatie of afkoopsom te krijgen (of te houden) wél aftrekken. Denk hierbij niet alleen aan het honorarium van de advocaat, maar ook aan incassokosten, telefoonkosten, reiskosten en postzegels.

De ontvangen alimentatie moet je op je aangiftebiljet opgeven als inkomen. Hieronder vallen ook ontvangen afkoopsommen van alimentatie, eigenwoningforfait of de huur die je ex-partner betaalt voor je huurwoning. Houd er wel rekening mee dat ontvangen alimentatie invloed kan hebben op eventuele toeslagen.

Kinderalimentatie

Kinderalimentatie is fiscaal neutraal. Ontvang je kinderalimentatie, dan hoef je daarover dus geen belasting te betalen. Je hoeft dit dus niet aan te geven.

Betaalde kinderalimentatie is sinds enkele jaren niet meer aftrekbaar als schuld in box 3.

 Kinderopvang

Wie zijn kind laat opvangen door een kinderdagverblijf of geregistreerde gastouder, heeft recht op kinderopvangtoeslag. De hoogte van dit bedrag hangt onder andere af van je inkomen, het afgenomen aantal opvanguren en het aantal kinderen dat wordt opgevangen.

Je hebt per kind in totaal recht op maximaal 230 uur per maand kinderopvangtoeslag. Heb je meer kinderen die kinderopvang krijgen, dan ontvang je voor het kind met de meeste opvanguren de laagste vergoeding.

Voor de uurprijs geldt wel een maximum. Gaat je kind naar een kinderdagverblijf, dan bedraagt de maximale uurprijs waarover je in 2019 een tegemoetkoming kreeg 8,02 euro. Voor buitenschoolse opvang lag de grens op 6,89 euro.

Het maximale uurtarief voor gastouderopvang (zowel dagopvang als buitenschoolse opvang) bedraagt 6,15 euro. Betaal je meer dan deze maximumtarieven, dan is het bedrag boven die grens voor eigen rekening.

Opvang door een au pair valt buiten de kinderopvangtoeslag: deze kosten moet je volledig zelf betalen. Dit geldt ook voor tussenschoolse opvang en opvang door familie of vrienden.

 Kindgebonden budget

Wie minderjarige kinderen heeft en onder een bepaalde inkomens- en vermogensgrens zit, maakt aanspraak op het kindgebonden budget. Dat is een tegemoetkoming in de kosten voor de zorg voor de kinderen.

Heb je recht op kindgebonden budget, dan word je hier doorgaans automatisch over ingeseind door de Belastingdienst. De inkomensgrens voor deze tegemoetkoming hangt af van het aantal kinderen.

Ook de hoogte van je vermogen is van belang: is dat te hoog, dan vis je achter het net. Deze vermogensgrens lag in 2019 op 114.776 euro voor ouders zonder toeslagpartner en 145.136 euro voor ouders met toeslagpartner.

 Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Wie werkt en zijn baan combineert met de zorg voor jonge kinderen tot 12 jaar heeft mogelijk recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK).

Om hiervoor in aanmerking te komen gelden wel diverse voorwaarden. Zo moet je inkomen hoger zijn dan 4.993 euro per jaar. Heb je een partner, dan moet jouw inkomen lager zijn dan dat van je partner.

In 2019 is deze regeling wat versoberd. De korting over 2019 kan oplopen tot 2.835 euro. Waar je eventueel recht op hebt, kun je hier checken.

 Giften aan goede doelen

Met een schenking aan een goed doel maak je niet alleen een ander blij, maar ook jezelf. Donaties zijn namelijk fiscaal aftrekbaar van je inkomen in box 1, mits het goede doel door de Belastingdienst officieel is erkend als Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI) en je in ruil voor je gift geen tegenprestatie hebt ontvangen.

Alleen giften die hoger zijn dan één procent van je drempelinkomen, met een minimum van 60 euro zijn aftrekbaar. Elke euro daarboven mag je aftrekken. Deze drempel geldt niet voor elke donatie afzonderlijk: je mag alle giften aan goede doelen bij elkaar optellen.

Er geldt voor giften ook een bovengrens: je mag niet meer aftrekken dan 10 procent van je drempelinkomen.Van een drempel of maximum is geen sprake als je een periodieke gift doet (zie verderop).

Werk je als vrijwilliger bij een ANBI, maak je aanspraak op een vrijwilligersvergoeding, maar zie je van dit geld af, dan mag je deze gemiste vergoeding aftrekken als gift. Ook niet-gedeclareerde kosten die je als vrijwilliger voor het goede doel hebt gemaakt, mag je meetellen als gift.

Doe je een gift aan een culturele ANBI, dan mag je bij de berekening van deze aftrekpost deze gift met 25 procent verhogen, met een maximum van 1.250 euro per jaar.

Meer informatie over donaties aan goede doelen vind je in dit artikel.

Periodieke giften

Er geldt geen drempel en maximumaftrek voor periodieke giften aan een ANBI die minimaal vijf jaar worden gedaan. Deze giften moeten wel schriftelijk worden vastgelegd. Dit hoeft niet bij een notaris; een schenkingsovereenkomst volstaat ook.

3.6    Studiekosten

Studiekosten kunnen een interessante aftrekpost zijn in je belastingaangifte. Maar check wel goed welke kostenposten je in mindering mag brengen, want de mogelijkheden zijn beperkt. Wat mag je aftrekken in je aangifte inkomstenbelasting over 2019?

Een laptop, bureaustoel, rente over studieschulden, een studiereis, een internetabonnement, reiskosten… Reken je niet rijk als je een studie voor je werk volgt. Lang niet alle kosten die je maakt zijn aftrekbaar. Kort gezegd komt het erop neer dat je alleen de verplichte en noodzakelijke kosten in mindering mag brengen op je inkomen, zoals lesgeld en verplichte leermiddelen.

Studieschulden zijn ook aftrekbaar, maar dan van je vermogen in box 3.

We lopen de belangrijkste fiscale aftrekposten voor studiekosten in de belastingaangifte 2019 na in dit tweede deel van de jaarlijkse serie van Business Insider.

 Aftrek studiekosten bij belastingaangifte 2019: de voorwaarden zijn streng

Een cursus fotografie die je als hobby volgt moet je volledig zelf betalen. Maar volg je een studie of cursus voor je werk of een toekomstig beroep, dan komt de fiscus je wél tegemoet. De voorwaarden zijn wel streng. Zo geldt de aftrek van studiekosten uitsluitend voor jou en je fiscaal partner. Eventuele studiekosten van van je kind mag je dus niet opvoeren. Ook zijn de kosten voor een studie waarvoor je recht hebt op studiefinanciering niet aftrekbaar.

Verder vallen veel kostenposten buiten de aftrek (zie verderop), geldt er een drempel en moet je eventuele vergoedingen van je werkgever in mindering brengen op de kosten.

 Alleen noodzakelijke studiekosten zijn aftrekbaar

Simpel gezegd komt het erop neer dat je alleen de verplichte en noodzakelijke kosten van een opleiding mag aftrekken van je inkomen. Hierbij moet je bijvoorbeeld denken aan college- of lesgeld en leermiddelen die de opleiding verplicht heeft gesteld, zoals boeken, gereedschap, een veiligheidsbril, kappersschaar of bepaalde software.

 Laptop is niet aftrekbaar

De kosten voor de aanschaf van een computer, tablet, notebook, printer zijn echter niet aftrekbaar. Dat geldt ook voor een internetabonnement.

… net als reiskosten en inrichting studeerkamer

Ook de rente over studieschulden mag je niet aftrekken, evenals kosten voor levensonderhoud, zoals hotelovernachtingen, een broodje dat je in de kantine haalt en kleding. Het heeft ook geen zin om de bonnetjes van het benzinestation of een uitdraai van de gemaakte reizen met je OV-kaart naar het opleidingsinstituut te bewaren. Want deze kosten zijn niet aftrekbaar.

Dat geldt ook voor de kosten voor een studiereis of excursie en bonnetjes voor de inrichting van je studeerkamer.

Afschrijving studiekosten over meerdere jaren

Soms heb je voor een studiespullen nodig die langere tijd meegaan, zoals een muziekinstrument als je op het conservatorium zit. Deze kosten mag je niet in één jaar volledig aftrekken, maar moet je uitsmeren over enkele jaren. Bij de aftrek moet je wel rekening houden met een restwaarde.

Let wel op: je mag de kosten alleen aftrekken als je deze zogeheten duurzame goederen ook echt gebruikt voor je studie of opleiding, en als het om spullen gaat die anderen die jouw opleiding niet volgen normaal gesproken niet kopen. Om die reden vallen computers doorgaans buiten de aftrek.

Als je deze duurzame goederen ook privé gebruikt, mag je het gedeelte voor privégebruik niet opvoeren als aftrekpost.

 Fiscale drempel voor aftrek studiekosten

Voor de studiekosten geldt – net als vorig jaar – een drempel van 250 euro per persoon. Alles erboven is aftrekbaar. Heb je bijvoorbeeld 1.799 euro lesgeld betaald en 350 euro voor studieboeken, dan mag je 1.899 euro in mindering brengen op je inkomen (2.149 min 250 euro).

Heb je van je werkgever een vergoeding gekregen, dan moet je dat bedrag eerst in mindering brengen.

 Hoeveel krijg ik terug?

Hoeveel je uiteindelijk terug krijgt, hangt af van het belastingtarief waar je in valt. Val je in de hoogste schijf van de inkomstenbelasting in 2019, dan kun je 51,75 procent van de studiekosten terugvragen.

Er geldt een maximum

De aftrek van studiekosten is overigens niet onbeperkt: het bedrag dat je maximaal in mindering mag brengen is 15.000 euro. Alles wat daar bovenuit komt is niet aftrekbaar.

Zo’n maximum geldt niet als je gedurende een langere periode (maximaal vijf jaar) zoveel tijd kwijt bent aan je studie dat je dat niet kunt combineren met een fulltime baan. Deze zogeheten standaardperiode moet wel afgelopen zijn voor je dertigste verjaardag.

 Studieschulden? Aftrekbaar in box 3

Wie op 1 januari 2019 meer dan 30.360 euro vermogen had (of het dubbele bij fiscaal partnerschap), moet hierover vermogensbelasting betalen in box 3. Heb je studieschulden, dan mag je deze aftrekken van je belastbare inkomen in box 3 (sparen en beleggen), voor zover deze uitkomen boven de bovengenoemde drempel. Er geldt wel een belangrijke uitzondering: als de studieschuld nog kan worden omgezet in een gift heb je pech.

De rente over een studieschuld is helaas niet aftrekbaar in box 1.

 Let op: Bewaar je bonnetjes

Zorg ervoor dat je alle facturen en rekeningafschriften minimaal vijf jaar bewaart, als je studiekosten als aftrekpost opvoert. Je moet namelijk achteraf kunnen bewijzen dat je deze kosten daadwerkelijk hebt gemaakt. De Belastingdienst mag tot vijf jaar belasting terugvorderen.

Voor ondernemers geldt een wettelijke bewaarplicht van hun administratie van zeven jaar.

 Scholingsaftrek in de toekomst

De scholingsaftrek zou dit jaar verdwijnen en plaats maken voor een subsidieregeling, maar de plannen zijn uitgesteld. Dit betekent dat je ook in je belastingaangifte inkomstenbelasting over 2020 nog gewoon je studiekosten kunt aftrekken.


3.7    Vermogensrendementheffing (Box 3)

Over spaargeld en beleggingen moet je vermogensbelasting betalen in box 3 van de inkomstenbelasting. Maar er zijn ook enkele interessante aftrekposten, zoals schulden en groene beleggingen. Welke aftrekposten mag je in mindering brengen op je vermogen bij de belastingaangifte 2019?

De waarde van je vermogen in Nederland en het buitenland, zoals spaargeld en beleggingen, moet je aangeven in box 3: inkomen uit sparen en beleggen. Je betaalt geen belasting over het werkelijke rendement over je vermogen (zoals ontvangen spaarrente of eventuele beleggingswinsten), maar over een door de overheid vastgesteld fictief rendement.

De Belastingdienst hanteert drie verschillende schijven, met elk een ander fictief rendement. Hoeveel je moet betalen hangt af van de omvang van je vermogen: wie meer heeft, betaalt per saldo ook meer.

 Box 3: 30.360 euro van je vermogen is vrijgesteld

De eerste 30.360 euro (of het dubbele bij fiscaal partnerschap) is vrijgesteld van vermogensbelasting. Kwam het saldo van bezittingen en schulden op 1 januari 2019 boven deze drempel uit, dan moet je over het restant vermogensbelasting betalen.

Je mag zelf weten hoe je de waarde van het gezamenlijke vermogen van jou en je fiscaal partner op je aangifte verdeelt, zolang alles maar is opgegeven.

  • Over de eerste 71.650 euro aan vermogen boven de vrijstelling betaal je per saldo 0,58 procent belasting (30 procent over een forfaitair rendement van 1,94 procent).
  • Over het vermogen hierboven (tot 978.000 euro) moet je 1,34 procent afrekenen.
  • Het vermogen daarboven wordt belast met 1,68 procent.


 Let op de peildatum

Bij de aangifte voor de vermogensbelasting moet je altijd de waarde aan het begin van het kalenderjaar opgeven. Bij je aangifte over 2019 moet je dus kijken naar de waarde van je vermogen op 1 januari 2019. Neem dus niet de waarde mee van 31 december van dat jaar!

 Vermogen van de kinderen telt ook mee in box 3

Heb je minderjarige kinderen, dan moet je belasting betalen over hun vermogen. Dit geldt alleen voor kinderen die op 1 januari 2019 nog geen 18 jaar waren. Meerderjarige kinderen moeten zelf belasting betalen over hun vermogen, mits dat uitkomt boven het heffingsvrije vermogen van 30.360 euro.

Was je in heel 2018 gescheiden en staan jij en je ex-partner niet op hetzelfde adres ingeschreven, dan moet elke ouder de helft van de bezittingen en schulden van de kinderen aangeven.

… net als je vakantiehuisje

Behalve het saldo op spaar- en beleggingsrekeningen valt ook de waarde van een vakantiehuisje als vermogen in box 3. Let wel goed op de waardepeildatum. Anders dan bijvoorbeeld bij je spaartegoeden of beleggingen moet dit 1 januari van het jaar vóór het jaar van aangifte zijn: dus 1 januari 2018 (en niet 1 januari 2019).

Staat de woning in Nederland, dan moet je de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2018 opgeven. Staat je vakantiewoning in het buitenland, dan geldt de waarde in het economisch verkeer in onbewoonde staat; eveneens van 1 januari 2018.

Verhuur je een huis in afwachting van een koper, dan moet je ook de waarde van die woning opgeven in box 3. Maar dan niet in de categorie ‘tweede woning’, maar in de subgroep ‘overige onroerende zaken’. Ook hiervoor geldt als waardepeildatum 1 januari 2018.

… en uitstaande vorderingen

Geld dat je hebt uitgeleend moet je eveneens opgeven als vermogen in box 3. Denk bijvoorbeeld aan een schenking op papier.

 Contant geld en cadeaubonnen

Het is de vraag of veel Nederlanders dit doen, want het is lastig te controleren. Maar wist je dat je ook contant geld en cadeaubonnen moet opgeven? Hiervoor geldt wel een vrijstelling van 534 euro (of het dubbele als je een fiscaal partner hebt). Alleen de bedragen die hier bovenuit komen moet je opgeven.

 Belastingaangifte: vergeet de waarde van cryptomunten niet

Bezit je bitcoins of andere cryptomunten? Dan moet je ook hiervan de waarde opgeven per 1 januari 2019. Dit is behoorlijk complex, aangezien de koersen op één dag behoorlijk kunnen fluctueren. Bovendien zijn er koersverschillen tussen diverse cryptofora. Om discussies te voorkomen eist de fiscus dat je de koers hanteert op de cryptobeurs waar je handelt.

De opbrengst van het minen van cryptomunten hoef je in principe niet aan te geven, omdat de kosten voor het minen vaak zo hoog zijn, dat je er nauwelijks profijt van hebt. Maar is de opbrengst toch hoger dan de kosten, dan moet je de inkomsten opgeven in box 1 als ‘inkomsten uit overige werk of winst uit onderneming’. Dit gebeurt echter zelden.

Appartement? Neem aandeel in vermogen VvE mee

Heb je een koopappartement en ben je lid van een Vereniging van Eigenaren (VvE), dan moet je ook jouw aandeel in het vermogen van de VvE opgeven. Dit vermogen wordt gebruikt om bijvoorbeeld het gebouw en een eventuele lift te onderhouden en schoon te maken. Hiervoor moet je de waarde per 1 januari 2019 opgeven.

 Tegoed persoonsgebonden budget

Maak je aanspraak op een persoonsgebonden budget? Dan moet je het tegoed dat op 1 januari 2019 op je rekening stond aangeven onder het kopje ‘bank- en spaartegoeden’.

Behalve als het bedrag betrekking had op een ander belastingjaar. Gaat het om een restant uit 2018 dat je nog terug moest betalen of dat later is verrekend, dan geldt dat als schuld en mag je dat dus van je vermogen aftrekken.

 Dit hoef je niet op te geven in box 3

Rente die je op je spaarrekening wel hebt opgebouwd, maar nog niet is bijgeschreven hoef je niet op te geven. Alleen je werkelijke banktegoed telt.

Ook gewone spullen, zoals een auto of de inventaris, hoef je niet bij je vermogen in box 3 op te tellen. Dit geldt eveneens voor kunstvoorwerpen, tenzij deze als belegging zijn bedoeld.

Als een van je ouders is overleden en jij een vordering op de overgebleven ouder hebt die niet opeisbaar is, moet deze langstlevende ouder inkomstenbelasting betalen over de hele nalatenschap. Jijzelf hoeft deze bezittingen dus niet aan te geven in box 3. De overgebleven ouder mag de schuld aan jou helaas niet opgeven in box 3.

 Hoe zit het met de en/of rekening?

Heb je een en/of rekening, dan hangt het af van de relatie met de andere rekeninghouder welke waarde je opgeeft. Deel je de rekening met je fiscale partner, dan moet je allebei het volledige saldo opgeven.

Deel je de rekening met iemand anders, bijvoorbeeld je moeder, dan moet je alleen het deel van de rekening aangeven dat van jou is: het bedrag dat je zelf hebt op de rekening hebt gezet of dat een ander voor jou heeft gestort.

 Groene beleggingen? Extra fiscaal voordeel

De Belastingdienst komt beleggers tegemoet, als ze geld steken in door de fiscus erkende fondsen die investeren in projecten voor milieubescherming. Daarvoor geldt een aparte vrijstelling op de vermogensbelasting en een aanvullende heffingskorting.

De vrijstelling bedraagt 58.540 euro (of het dubbele als je een fiscaal partner hebt). Je hoeft alleen belasting te betalen als de waarde van deze beleggingen boven dit bedrag uitkomt.

Daarnaast krijg je een korting op de te betalen inkomstenbelasting van 0,7 procent over het saldo op deze groenrekening tot 58.540 euro (of het dubbele bij fiscaal partnerschap).

Ben je benieuwd welke beleggingen hieronder vallen? Check het in dit overzicht van de Belastingdienst.

Schulden in box 3

Van je vermogen in box 3 mag je eventuele schulden aftrekken. Dit kunnen verschillende soorten schulden zijn, zoals een lening voor een auto, roodstand bij de bank, toeslagen die je moet terugbetalen, erfbelasting die je nog verschuldigd bent of een schuld door een schenking op papier.

Ook studieschulden mag je aftrekken van je vermogen in box 3, behalve als de schuld nog kan worden omgezet in een gift. De rente over een studieschuld is helaas niet aftrekbaar in box 1.

Ook een schuld voor de financiering van een vakantiehuisje mag je in mindering brengen op je vermogen. Dit geldt eveneens voor een hypotheekschuld die je niet in box 1 mag aftrekken, omdat het geen eigenwoningschuld is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als je een huis hebt gekocht dat nog in aanbouw is en waarin je niet binnen drie jaar zal intrekken.

Maar er geldt wel een drempel

Voor schulden geldt wel een niet-aftrekbare drempel van 3.100 euro of het dubbele als je een fiscaal partner hebt. Heb je weinig schulden, dan vis je dus helaas achter het net. Is bijvoorbeeld een roodstand van 100 euro je enige schuld, dan mag je dat dus niet in mindering brengen op je vermogen.

… bovendien mag je niet elke schuld aftrekken

Niet alle schulden mag je in mindering brengen op je vermogen.

Ook belastingschulden vallen er over het algemeen buiten, met uitzondering van verschuldigde erfbelasting. Een belastingschuld van een voorlopige aanslag is onder voorwaarden wel aftrekbaar.

Een hypotheekschuld voor het huis waar je woont geef je niet op in box 3, maar in box 1.

Ook ondernemingsschulden en lopende termijnen van schulden met een looptijd korter dan één jaar mag je niet in mindering brengen op je box 3-vermogen. Hetzelfde geldt, zoals hierboven is besproken, voor schulden aan je kind die niet opeisbaar zijn, omdat je na het overlijden van je partner alleen bent overgebleven.

 3.8 Heffingskortingen

 Heffingskortingen zijn vaste bedragen die je in mindering kunt brengen op de belasting die je moet betalen. Hoe hoger de korting uitpakt, hoe minder belasting je hoeft te betalen. De meeste heffingskortingen zijn in 2019 omhoog gegaan en dat is natuurlijk gunstig.

De algemene heffingskorting is inkomensafhankelijk. Deze bedraagt 2.477 euro voor de laagste inkomens (tot 20.384 euro) en 1.268 euro voor mensen met een AOW-uitkering. Ligt jouw inkomen tussen de 20.384 en 68.507 euro, dan is het een lager bedrag, afhankelijk van je inkomen. Boven de 68.507 euro vervalt de korting.

Daarnaast zijn er nog andere heffingskortingen, waaronder de arbeidskorting, de werkbonus en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

… zoals de arbeidskorting

De arbeidskorting is een heffingskorting waar iedere werkende die niet meer dan 90.710 euro verdient aanspraak op maakt. De hoogte hiervan hangt af van je leeftijd en de hoogte van je inkomen.

Ben je in loondienst, dan houdt je werkgever bij de berekening van de loonheffing al rekening met de arbeidskorting. Je hoeft de arbeidskorting dus niet apart aan te vragen als je aangifte doet.

… en de inkomensafhankelijke combinatiekorting

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is bedoeld voor ouders die een kind tot twaalf jaar in huis hebben. Dat hoeft niet je eigen kind te zijn; het mag ook de zoon of dochter van je fiscaal partner zijn. Om hier gebruik van te kunnen maken moet je een inkomen hebben van minimaal 4.993 euro of als ondernemer aanspraak maken op zelfstandigenaftrek.

De hoogte van deze korting is – zoals de naam al aangeeft – afhankelijk van je inkomen. Welk bedrag jij in mindering kunt brengen, kun je checken op de site van de Belastingdienst.

 

4     Slim verdelen

Heb je een fiscaal partner? Let dan goed op bij het onderdeel “verdelen” in je aangifte. Er valt namelijk veel geld met te verdienen/besparen.

1.   Verdeel de aftrekposten: Neem de aftrekposten in eerste instantie in aanmerking bij degene die in het hoogste belastingtarief valt.

2.   Verdeel dividenden uit een eventuele B.V.’s als dit van toepassing is. Deel in eerste instantie toe naar rato van de eigendomsverhoudingen (aandelen verhoudingen)

3.   Verdeel het vermogen: Verdeel het vermogen in eerste instantie 50/50 over beide fiscaal partners

4.   Dan ga je kijken of een andere verdeling beter uitpakt. Let erop dat bij elke aanpassing het totaal te betalen bedrag aan te betalen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen omlaag gaat. Wanneer dit niet het geval is dan weer teruggaan naar de oorspronkelijke verdeling

5.   Check het toptarief: Degene met het hoogste belastingtarief kan het beste de aftrekposten voor zijn rekening nemen. Vul echter niet klakkeloos alle aftrekposten in bij de meestverdienende partner. Door de aftrek kan diens inkomen immers in een lager tarief terecht komen dan dat van de minstverdienende partner. Dan kan een zeker bedrag aan aftrekposten misschien beter naar de minstverdienende partner geschoven worden.

6.   Als er al een AOW’er is pas dan op. Voor AOW’ers geld een lager belastingtarief in de lagere schijven. Hierdoor kan het aantrekkelijker zijn om de aftrekposten op te voeren bij de jongere partner, ook al heeft deze een lager inkomen

7.   Probeer een vermogensverdeling €71.650/de rest. Deel bedragen tot €71.650 toe aan de minstverdienende en het eventuele restant aan de meestverdienende. Voor heel veel mensen zal deze verdeling het beste resultaat opleveren.

8.   Tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning. De aftrek van de hypotheekrente is in 2019 beperkt tot 49%. Wie hypotheekrente aftrekt tegen het hoogste tarief, zal zien dat bij de te betalen belasting (51,75%-49%=)2,75% van die hypotheekrente wordt opgeteld. Valt de minstverdienende partner met de top van het inkomen in een lager belastingtarief en zijn de aftrekbare kosten voor de eigen woning nagenoeg gelijk aan of lager dan je eigenwoningforfait? Deel dan het “saldo eigen woning” toe aan de minstverdienende partner. Daarmee omzeil je de tariefsaanpassing. Kijk daarna of dit goed uitpakt.

9.   Optimaliseer de heffingskortingen: Kijk naar de te verrekenen heffingskortingen bij beide partners. Wanneer deze nog niet volledig benut zijn voor een van de partners deel hem/haar dan meer vermogen of dividend toe. Dit is een belangrijke stap vooral wanneer een van beiden een laag inkomen heeft of als de AOW leeftijd is bereikt. Dit kan veel geld opleveren/besparen

10. Benut de aanslag grens als je €46 of minder moet betalen krijg je in principe geen aanslag

Het verdient de aanbeveling om de verdeling van aftrekposten en vermogen helemaal door te optimaliseren. Dat is een wetenschapper wel toevertrouwd.

Dan wordt het langzaam tijd om de belastingaangifte in te dienen. Echter slaap er nog een nachtje over. Misschien valt je nog een aftrekpost in. Ook achteraf kun je nog corrigeren. Je kunt de aangifte bekijken nadat je deze hebt verstuurd. En je kunt hem ook aanpassen. Doe je dat op de website van de Belastingdienst, dan moet je kiezen voor ‘mijn aangifte inkomstenbelasting wijzigen’. Je kunt de aangifte niet via de app wijzigen.

De aangifte wijzigen kan in principe tot 5 jaar na het jaar waarover de aanslag gaat. Dit geldt echter niet voor gemeenschappelijke inkomsten en aftrekposten van fiscale partners. Die moeten binnen zes weken worden gecorrigeerd, anders neemt de Belastingdienst wijzigingen niet meer in behandeling.

5     Middelen

Maak gebruik van de middelingsregeling bij sterk wisselend inkomen. Wist je dat deze regeling origineel is uitgevonden voor boeren met opeenvolgende goede en slechte oogsten? Doe je voordeel met deze regeling als je meer of minder bent gaan werken de afgelopen drie jaar. Of als je bijvoorbeeld een ontslagvergoeding hebt gehad. Als het verschil tussen je inkomen van de afgelopen drie jaren groot is, krijg je misschien geld terug. Voor meer informatie zie de site van de belastingdienst.

6     Conclusie/Samenvatting

Veel aftrekposten moet je zelf invullen en ook de meest optimale verdeling van aftrekposten tussen de fiscale partners (als je er een hebt) en de verdeling van het vermogen van box 3 tussen de fiscale partners is een echt optimalisatie probleem. Neem hier de tijd voor en bespaar het betalen van veel inkomstenbelasting of krijg zelfs geld terug.

Wanneer je je onzeker voelt over het zelf invullen van je inkomstenbelasting of een vraag hebt over een bepaald aspect van de inkomstenbelasting kun je altijd met mij contact opnemen. (www.sciplan.nl, jean@sciplan.nl of +31 (0) 629467643)