De wetenschapper en zijn/haar pensioen: zoals de paus of toch met een pragmatisch plan? Deel 3:  Lijfrentes.


Inleiding

In deel 1 over de wetenschapper en zijn/haar pensioen heb ik een inleiding gegeven en de AOW besproken. En in deel 2 de pensioenregelingen zelf. Nu komen we bij deel 3: Lijfrentes. Met de gepensioneerde paus Benedict XVI en lijfrentes zijn we snel klaar. Daar hij in het buitenland zit zullen er andere belastingregels voor hem van toepassing zijn. Echter hier in Nederland hebben we als traditionele 3de pijler van het pensioengebouw de lijfrentes.

Deze zijn ook nog relatief complex. De belangrijkste zaken bespreek ik hier. Ook weer aan de hand van onze wetenschapper familie als model. Zie verder hieronder.

De maximale opbouw van een fiscale oudedags lijfrente is gekoppeld aan de fiscale opbouwruimte voor het tweede pijler pensioen (zie de tweede blog). De lijfrente dient er voornamelijk voor om eventuele pensioentekorten aan te vullen. Wanneer er te weinig pensioen is opgebouwd door bijvoorbeeld geen of een slechte pensioenregeling, kun je ervoor kiezen om bruto geld in een lijfrente product weg te zetten om het pensioen aan te vullen.

Crux van de zaak is dat je je bruto loon voor een lange periode in een verzekerings /spaar/beleggings product kunt laten renteren en er tijdens die periode geen vermogensrendementheffing (box 3) op betaald. Het wordt dus uitgesteld bruto loon. Rond de pensioenleeftijd kun je het dan bruto weer laten uitkeren in een reeks van lijfrente uitkeringen. Waar je dan mogelijk ook na AOW leeftijd profiteert van de lagere inkomstenbelasting schijven. Ook hier geld weer dat dit alles gemaximeerde regelingen zijn, net als bij de pensioenregelingen. Er wordt met behulp van een bepaalde formule (waarover later meer) gerekend, zodat je jaarlijks niet te veel geld fiscaal voordelig weg kan zetten voor je oude dag. De belastingdienst (staat) moet natuurlijk ook kunnen leven.

Voor de lijfrente geldt dan ook dat voor de werknemer/wetenschapper een lijfrente een klein inkomens puzzelstukje kan zijn voor het pensioeninkomen. Door alle fiscale beperkingen hoef je echter niet te verwachten dat je er jaren eerder mee met pensioen kan. 

 

Wat is er nu?

 

Een lijfrente is een aanspraak op een reeks vaste (of met een vast percentage stijgende) en gelijkmatige periodieke uitkeringen, die uiterlijk bij overlijden eindigt. Kort gezegd is een lijfrente een bijzondere periodieke uitkering, die aan een aantal extra voorwaarden voldoet.

Een dergelijke lijfrente moet voldoen aan de fiscale lijfrentedefinitie: Een aanspraak op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of tot voorwerp van zekerheid kan dienen. Dit is de lijfrenteverzekering. De lijfrenteverzekeringsprodukten bestaan al heel lang en deze kunnen duur en ondoorzichtig zijn. Hierover later meer.


Echter de staat gaat ook met zijn tijd mee en sinds 2008 is de lijfrentedefinitie in het kader van het ‘banksparen (beleggen)’ uitgebreid. Onder een lijfrente wordt nu ook verstaan:

Een aanspraak op het tegoed van een lijfrentespaarrekening of op de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven of tot voorwerp van zekerheid kan dienen. Deze producten zijn al een stuk overzichtelijker. Echter ook hier kunnen lage rentes en hoge kosten voorkomen. Men moet zich er dus goed in verdiepen. 

Er zijn verschillende soorten lijfrenten:

 

1. Lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort; Voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort geldt dat de betaalde premies niet onbeperkt aftrekbaar zijn:

 

  • De oudedagslijfrente;
  •  De nabestaandenlijfrente;
  •  De tijdelijke oudedagslijfrente.
  •  Sinds 2015 kent de wet een bijzondere vorm van gefacilieerde lijfrente, namelijk de nettolijfrente in box 3. Voor de netto-lijfrente kan in box 3 gebruikt worden gemaakt van een vrijstelling, zodat over het saldo van deze lijfrente geen vermogensrendementsheffing verschuldigd is. De nettolijfrente is bedoeld voor mensen met een inkomen (salaris, winst of resultaat uit overige werkzaamheden) van meer dan € 110.111). Boven dit bedrag mag geen pensioen of brutolijfrente worden opgebouwd. De premie van een nettolijfrente is weliswaar niet aftrekbaar van het inkomen, maar de het saldo van de nettolijfrente is dus niet belast in box 3. De netto lijfrente is dus analoog aan het nettopensioen wat we ook in de 2de blog hebben besproken

 

2.  Lijfrenten waarbij de termijnen toekomen aan een invalide (klein)kind; Voor lijfrenten ten behoeve van meerderjarige invalide kinderen is in de wet geen aftrekbeperking opgenomen.

3.  Aanspraken op periodieke uitkeringen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval. Voor de genoemde arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is in de wet geen aftrekbeperking opgenomen.

 

We gaan ons voornamelijk concentreren op de lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort. De premies die betaald zijn voor lijfrenten voor een pensioentekort, zijn niet onbeperkt aftrekbaar. Jouw individuele situatie en vooral de voorzieningen die je al hebt getroffen, spelen een belangrijke rol in de aftrekruimte die staat toelaat.

Belastingplichtigen die tot nu toe minder aan de opbouw van oudedags- en/of nabestaandenvoorzieningen hebben kunnen doen, kunnen meer premie in aftrek brengen.

Er zijn twee mogelijkheden waar je gebruik van kan maken:

- de jaarruimte;

- de reserveringsruimte (inhaalruimte).

 

Berekenen hoeveel je jaarlijks extra weg kan zetten kun je met deze formule: 

 

  •   Jaarruimte = 13,3%× PG -/- (6,27×A)

 
Waar bij:
Premiegrondslag (PG) = inkomen (max. € 110.111) -/- franchise ( € 12.472)
A = pensioenaangroei (deze vind je in je UPO zie blog 2)

 

Voor zelfstandigen/ondernemers is er een aangepaste formule, dit voert hier echter te ver.

Je kunt ook de tool op de site van de belastingdienst gebruiken hoe-bereken-ik-mijn-jaarruimte?

 

De reserveringsruimte wordt ook wel de inhaalruimte genoemd. Als  je de jaarruimte in een bepaald jaar niet (geheel) hebt benut, bestaat er onder voorwaarden de mogelijkheid om alsnog premies in aftrek te brengen in de navolgende zeven jaar. Hierop moet een verzoek worden gedaan bij de aangifte inkomstenbelasting, waarbij het tekort uit het oudste jaar het eerst wordt opgevuld. Dit betekent dat niet gebruikte jaarruimte van jaar 1 uiterlijk in jaar 8 alsnog door middel van de reserveringsruimte kan worden benut. Als je over weinig liquiditeiten beschikt, kan het verstandig zijn om voor de premieaftrek van de lijfrente gebruik te maken van de reserveringsruimte in plaats van de jaarruimte. Op deze wijze maakt je gebruik van de aftrekmogelijkheid uit eerdere jaren die anders zou verdampen. 

 

Zoals besproken zijn er ook maxima aan de jaar en reserveringsruimte

  •  Maximale Jaarruimte € 12.986 
  •  Maximale reserveringsruimte (jonger dan 56 jaar en 4 maanden)  € 7.371 
  •  Maximale reserveringsruimte (ouder dan 56 jaar en 4 maanden)  € 14.552 

 

 

Wat een gedoe!

 

Deze kop is ook hier weer van toepassing op de complexiteit van de regelingen. Ook zet je je geld voor langere tijd vast. Echter hiervoor krijg je ook (jaarlijks) een fiscaal voordeel terug. De vraag is of het voor jou in jouw situatie zin heeft om iets voor je pensioen te doen met lijfrente producten. Het inzichtelijkst zijn weer voorbeelden, net als we in de blog over de pensioenregelingen hebben gebruikt. Hiervoor laten we onze model familie weer langskomen. Ter herinnering: 

 

Voorbeeld/model

 

Tot zover de theorie wat gebeurt er nu in de praktijk? Daarvoor heb ik de financiële planning software aangezwengeld en een fictieve wetenschapper/model gemaakt. Dit model zal ons ook door de rest van de blogserie begeleiden:

  •  Wetenschapper met partner beide 40 jaar in 2020.
  • Wetenschapper: 80k€ bruto in loondienst, Partner: 45 k€ bruto in loondienst.
  • Middel/eindloon pensioenen voor beiden op basis van 70% bruto loon op 68 jarige leeftijd. Dat is behoorlijk ideaal, maar haalbaar.
  • Eigenwoning van 360 k€ aangeschaft op 35 jarige leeftijd met een 30 jarige annuïteitenhypotheek met een rente van 2,5%.
  • Twee kinderen 3 en 5 jaar oud. Uitgaven voor de studie van de kinderen volgens het Nibud.
  •  Uitgaven voor levensonderhoud volgens het Nibud voor een gezin met deze samenstelling en inkomsten zijn: 48k€. Dit wordt gedefinieerd als het gewenst resterend budget
  •  Er wordt gerekend met een inflatie van 2%. Alle getallen die ik laat zien zijn nominaal. Wat betekend teruggerekend naar huidige euro’s.
  • Alle inkomstenbelastingberekeningen etc. worden gedaan in de financiële software (Figlo)
  • Overschotten en tekorten in het budget worden op een spaarrekening met 0,08% rente geparkeerd en onttrokken. Later in de blogserie zullen we ook beleggen.


In de onderstaande voorbeelden zullen we er vanuit gaan dat er niet veel jaarruimte is, daar de pensioenregelingen van de model familie al relatief goed zijn. We nemen aan: € 2.000 jaarruimte die per jaar in een lijfrenteproduct kan worden afgestort voor de wetenschapper. En € 1.000 jaarruimte voor zijn/haar partner.

 

De verzekerde (tijdelijke) oudedags lijfrente producten

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen tijdelijke en “normale” producten. In de opbouwfase zijn ze nog redelijk gelijk (spaarverzekering achtig) echter in de uitkeringsfase zitten de verschillen. Eerst bespreken we de “normale” verzekerde oudedags lijfrente:

De verzekerde oudedags lijfrente is vergelijkbaar met een via de werkgever geregeld ouderdomspensioen. De meest belangrijke voorwaarden zijn:

  • De termijnen van de lijfrente moeten toekomen aan de belastingplichtige zelf;
  •  de ingangsdatum is in principe vrij, maar de oudedags lijfrente uitkeringen moeten ingaan in het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die 5 jaar hoger ligt dan zijn AOW-gerechtigde leeftijd. Lees dit kan dus ook (ver) voor de AOW datum zijn.
  •  De periodieke uitkering is levenslang en stopt dus uitsluitend op het moment dat de verzekerde overlijdt.

 

Je kunt echter ook in de uitkeringsfase voor een tijdelijke oudedagslijfrente verzekering gaan. De meest belangrijke voorwaarden zijn deze:

  • de uitkeringen moeten toekomen aan de belastingplichtige zelf; 
  • de uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige zijn AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Hier heb je dus niet de mogelijkheid om de periodieke uitkeringen (ver) voor AOW datum te laten ingaan.
  • de uitkeringen moeten uiterlijk ingaan 5 jaar na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd; 
  • de uitkeringen mogen jaarlijks niet meer bedragen dan € 22.089 (bedrag 2020); 
  • de uitkering heeft een minimale looptijd van 5 jaar; 

 

Samengevat dus of “levenslang” uitkeren of tijdelijk minimaal 5 jaar na AOW datum.

Laten we beide producten dus eens nemen en op onze modelfamilie loslaten. Ter herinnering dit was het budget van het wetenschapper gezin met een pensioendatum, die gelijk is aan de AOW datum:

Figuur 1: Budget in de uitgangssituatie.

Aan de groen gestreepte balken zien we dat er in de meeste jaren een overschot is. Tijdens de studiejaren van de kinderen (2032-2040) is dit iets minder. In 2045-2046 iets hoger: de annuïteitenhypotheek is afgelost en het huis is vrij. In 2047 is er een klein tekort. Ze gaan met de AOW datum in 2047 met pensioen, echter de pensioenfondsen beginnen pas in 2048 op de regel pensioenleeftijd (68) uit te keren. Dit tekort kan makkelijk uit overschotten of door het naar voren halen van de ouderdomspensioenen voor een jaar gedekt worden. Na 2048 is er weer een overschot. 

Wat gebeurt er nu wanneer we tot AOW leeftijd jaarlijks €3.000 in een lijfrente verzekerings product wegzetten en dit dan na AOW leeftijd levenslang of tijdelijk uitkeren. Het makkelijkste is te kijken naar het verloop van de bezittingen en schulden door de jaren heen. Deze zien er als volgt uit:

Figuur 2: Bezittingen en schulden in de uitgangssituatie (blauw). Bij gebruik van een levenslang uitkeringsproduct op verzekeringsbasis na AOW leeftijd (oranje). En bij gebruik van een tijdelijke (5 jaar) uitkeringsproduct op verzekerings basis.

Als we naar het verloop van de bezittingen en schulden kijken voor de verschillende scenario’s. Dan zien we dat tot AOW leeftijd (2047) de scenario’s met de levenslange en tijdelijke uitkeringen samen vallen. Dat is logisch want er wordt in de verzekering gespaard. En deze scenario’s liggen tot AOW leeftijd iets lager dan de uitgangsituatie, daar het in de verzekering gespaarde bedrag door de financiële planningssoftware niet tot bezittingen en schulden wordt gerekend en dus ook niet wordt geplot. Het dipje bij 2047 (AOW) komt door het aanzuiveren van het pensioengat. Zie ook de vorige blog

Echter ook in 2047 beginnen de levenslange en tijdelijke lijfrente verzekeringsproducten uit te keren. Hoeveel wordt er nu maandelijks uitgekeerd? Wel bij verzekering lijfrente producten is dit afhankelijk van de leeftijd van de verzekeringsnemer (dit wordt berekend met de sterftetafels voor de man/vrouw), de interne rente van het product en de kosten van het product. Het goede nieuws is dat de financiële planningssoftware dit alles kan uitrekenen. Voor de interne rente heb ik 2% genomen, dit is ook de suggestie van de software. Dat is al een behoorlijk hoge rente, in de markt zul je tegenwoordig minder krijgen. De kosten berekend in deze producten zijn hoog en worden met 300€ per jaar aangenomen.

Waar komen we dan op uit:

Tabel 1: Bedragen en uitkeringen opgebouwd in lijfrente verzekeringsproducten


Dit zijn de bruto bedragen. Waarover dan na AOW leeftijd nog inkomstenbelasting betaald wordt. Wanneer we dan kijken hoe zich dat alles op het verloop van de bezittingen en schulden na de AOW leeftijd uitwerkt zien we dat door de uitkeringen van de tijdelijke lijfrente verzekering we in 2049 (69 jaar) het beter doen dan de uitgangssituatie zonder lijfrente verzekerings product. Wanneer we kijken naar het levenslange verzekeringsproduct dan doen we het pas in 2054 (74 jaar) beter dan in de uitgangssituatie zonder lijfrente verzekeringsproduct. We zien ook dat aan het einde van de rit op 89 jarige leeftijd de bezittingen en schulden behoorlijk dicht bij elkaar liggen voor alle scenario’s: de uitgangssituatie geeft dan 843 k€, met tijdelijke lijfrente uitkeringen 854 k€ en met levenslange lijfrente uitkeringen 866 k€. Een wetenschapper zou kunnen argumenteren dat dit binnen de foutmarge zit.

 Zulke verzekeringslijfrente producten brengen dus niet zoveel op. Het fiscale voordeel werkt niet volledig op tegen de lage interne rente, de hoge kosten en natuurlijk ook de inflatie. Er blijft er aan het einde van de rit weinig extra over. Het is geen woekerpolis, maar geweldig is het zeker niet. Klein voordeel kan zijn dat bij het levenslange lijfrente verzekeringsproduct de uitkeringen ook echt levenslang zijn. Nadeel is dat bij overlijden er normaal geen uitkering van kapitaal of lijfrente naar de nabestaanden is. Dit moet men allemaal in het achterhoofd houden. De casus voor verzekerings lijfrente producten is dus op dit moment niet geweldig. Echter er zijn ook lijfrente spaar/beleggingsrecht producten. Misschien doen deze het iets beter?

 

De (tijdelijke) oudedags lijfrentebeleggingsrecht producten

 

Vanaf 2008 kun je ook op een vastgezette spaar of beleggingsrekening fiscaal vriendelijk kapitaal wegzetten voor je pensioen. En dit ook weer uitkeren bij pensioen. Bij de invoering van lijfrente sparen/beleggen is beoogd de bancaire oudedagslijfrente zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de bestaande verzekerde oudedagslijfrente. Eerst bespreken we de “normale” spaar/beleggings oudedags lijfrente:

De voorwaarden zijn als volgt:

  • De termijnen moeten toekomen aan de belastingplichtige zelf;
  • De ingangsdatum is in principe vrij, maar de oudedagslijfrente moet uiterlijk ingaan in het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de leeftijd bereikt die 5 jaar hoger ligt dan zijn AOW-gerechtigde leeftijd; Lees je kun dus de spaar/beleggings lijfrente ook (veel) eerder dan de AOW leeftijd laten ingaan, echter dan:
  • De periode tussen de eerste en de laatste termijn bedraagt minimaal 20 jaar, vermeerderd met het aantal jaren dat de belastingplichtige op het moment van ingaan jonger is dan de voor hem op dat moment geldende AOW-gerechtigde leeftijd.

 

Je kunt echter ook in de uitkeringsfase voor een tijdelijke spaar/beleggings lijfrente gaan. De meest belangrijke voorwaarden zijn deze:

  • De uitkeringen moeten toekomen aan de belastingplichtige zelf; 
  • De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin de belastingplichtige zijn AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; 
  • De uitkeringen moeten uiterlijk ingaan 5 jaar na het bereiken van zijn AOW-gerechtigde leeftijd; 
  •  De uitkeringen mogen jaarlijks niet meer bedragen dan € 22.089 (bedrag 2020); 
  • De uitkering heeft een minimale looptijd van 5 jaar;

 

Wat gebeurt er nu wanneer we tot AOW leeftijd jaarlijks €3.000 op een lijfrentebeleggings rekening wegzetten en dit dan na AOW leeftijd levenslang (20 jaar) of tijdelijk (5jaar) uitkeren. Hierbij gaan we uit ervan, dat we in de opbouw een iets hoger risico kunnen hebben en offensief beleggen met een mix van 70% aandelen en 30% obligaties (rendement ca. 5,2%). En in de uitkeringsfase meer defensief beleggen met een mix van 30% aandelen en 70% obligaties (rendement ca. 2,7%). De kosten van zulke producten zijn ca 0.5% op jaarbasis. Dit wordt alles mee gemodelleerd. Net zoals bij de verzekeringslijfrente producten is het weer het makkelijkste om te kijken naar het verloop van de bezittingen en schulden door de jaren heen. Deze zien er als volgt uit:

Figuur 3: Bezittingen en schulden in de uitgangssituatie (blauw). Bij gebruik van een levenslang  (20 jaar) beleggingslijfrenteproduct na AOW leeftijd (oranje). En bij gebruik van een tijdelijke (5 jaar) eleggingslijfrenteproduct.

Als we naar het verloop van de bezittingen en schulden kijken voor de verschillende scenario’s. Dan zien we dat tot AOW leeftijd (2047) de scenario’s met de levenslange en tijdelijke uitkeringen samen vallen. Dat is logisch want er wordt voor beide scenario’s op de vastgezette beleggingsrekening belegd. En deze scenario’s liggen tot AOW leeftijd hoger dan de uitgangsituatie, daar het op de beleggingsrekening belegde bedrag door de financiële planningssoftware wel tot bezittingen en schulden wordt gerekend en dus ook wordt geplot. Het dipje bij 2047 (AOW) komt door het aanzuiveren van het pensioengat. Zie ook de vorige blog.

Echter ook in 2047 beginnen de levenslange (20 jaar) en tijdelijke (5 jaar) lijfrente beleggingsrekeningen uit te keren. Hoeveel wordt er nu maandelijks uitgekeerd? Wel in dit geval is het alleen afhankelijk van de kosten en het rendement van de beleggingsrekening. De financiële planningssoftware kan dit alles uitrekenen.

Waar komen we dan op uit:

Tabel 2: Bedragen en uitkeringen opgebouwd op de lijfrente beleggingsrekening.

Dit zijn de bruto bedragen. Waarover dan na AOW leeftijd nog inkomstenbelasting betaald wordt. Deze bedragen zijn significant hoger als bij de lijfrente verzekerings producten. Wanneer we dan kijken hoe zich dat alles op het verloop van de bezittingen en schulden na de AOW leeftijd uitwerkt zien we dat door de uitkeringen van lijfrenten van de beleggingsrekeningen, we het in alle tijdsvakken beter doen dan de uitgangssituatie. Wanneer we over 20 jaar uitkeren doen we het beter, dan met een tijdelijke uitkering (5 jaar). Dit heeft te maken met de belastingschijven, je betaald meer inkomstenbelasting bij de hogere tijdelijke lijfrente uitkeringen en met het feit dat we langer doorbeleggen in het 20 jaar product. We zien ook dat aan het einde van de rit op 89 jarige leeftijd de bezittingen en schulden toch al verder uit elkaar liggen voor de scenario’s: de uitgangssituatie geeft 843 k€, met tijdelijke lijfrente uitkeringen 865 k€ en met levenslange (20 jaar) lijfrente uitkeringen 875 k€.

De opbrengst is dus al beter als bij de verzekeringslijfrente producten. Het fiscale voordeel en de hogere beleggingsrendementen doet al beter hun werk. Er blijft er aan het einde van de rit al meer over. Voordeel kan ook zijn dat bij overlijden tijdens opbouw en uitkeringsfase het resterende kapitaal naar de erfgenamen gaat om daar weer (belast natuurlijk) te kunnen worden uitgekeerd. De casus voor beleggings lijfrente producten is dus al iets beter.

Met een lijfrente product kan je dus je financiële pensioensituatie iets verbeteren. Als je alles bij elkaar optelt zijn de financiële voordelen niet mega groot, maar ze zijn er wel. Daar staat natuurlijk ook tegenover dat je je geld voor (zeer) lange tijd vastzet en je afhankelijk bent van de fiscale regels nu en in de toekomst. Het vergt dus nogal wat denkwerk om te kijken of een lijfrenteproduct voor jouw persoonlijke situatie een puzzelstukje voor je pensioen kan zijn.

 

Wat staat eraan te komen voor de lijfrente producten?

 

In het nieuwe pensioenakkoord zijn er veel afspraken gemaakt, echter er is nog weinig uitgewerkt. Een van de pensioenakkoord voorstellen is om bij pensionering een (beperkt) deel met een maximum van het pensioenvermogen ineens op te nemen. Zie ook de eerdere blog. Dit wil men voor lijfrenteproducten ook mogelijk gaan maken. Echter er is nog geen zekerheid over hoe dit precies komt uit te zien.

 

Conclusie / samenvatting

 

Naast de pensioenregelingen zijn ook de lijfrente producten relatief complex. Met deze kan je  je financiële pensioensituatie iets verbeteren. Als je alles bij elkaar optelt zijn de financiële voordelen niet mega groot, maar ze zijn er wel. Daar staat natuurlijk ook tegenover dat je je geld voor (zeer) lange tijd vastzet en je afhankelijk bent van de fiscale regels nu en in de toekomst. Het vergt dus nogal wat denkwerk om te kijken of een lijfrenteproduct voor jouw persoonlijke situatie een puzzelstukje voor je pensioen kan zijn. 

In de toekomst zal het denkelijk ook mogelijk zijn om net als bij de pensioenregelingen op de pensioendatum max 10% van het opgebouwde lijfrentekapitaal vervroegd uit te keren. Dit is echter nog onzeker.

Kan onze wetenschapper model familie nog eerder met pensioen? Wel er zijn nog een paar schroeven om aan te draaien. Zoals beleggen voor je pensioen, met de hypotheek spelen, je budget bijstellen, eerder dan 40 jaar oud beginnen met geld wegzetten etc. Deze zijn dan onderwerp van de laatste blog in deze serie. Als je interesse in het pensioenvraagstuk nu al gewekt is. En je wilt er al eens over sparren, neem dan gerust contact met mij op (www.sciplan.nl, jean@sciplan.nl of +31 (0) 629467643)